Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
(gemachtigde: ing. H. Jonkman),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante exploiteert een melkveehouderij en wilde deze uitbreiden van 70 naar 135 melk- en kalfkoeien. Zij had in 2013 ammoniakrechten en bouwgrond gekocht en een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd en verkregen. Op 2 juli 2015 hield zij 91 melk- en kalfkoeien. Verweerder stelde het fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast op basis van deze peildatum en paste een generieke korting toe.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM omdat het haar eigendomsrecht aantast en dat zij een individuele en buitensporige last draagt. Zij stelde dat zij vóór 2 juli 2015 onomkeerbare investeringen had gedaan en dat de uitbreiding vertraagd was door ziekte van een maat.
Het College oordeelde dat het stelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 EP Pro. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij een individuele en buitensporige last draagt. Het College kon niet vaststellen of zij op de peildatum beschikte over de vereiste vergunningen. Zelfs als dat zo was, waren de investeringsverplichtingen pas na 2 juli 2015 aangegaan, waardoor het stelsel kenbaar was en appellante het risico droeg.
De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan die van appellante. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.