ECLI:NL:CBB:2021:193
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrechten op grond van de Meststoffenwet afgewezen
Appellante, een melkveehouder die haar bedrijf wilde uitbreiden, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw waarbij haar fosfaatrechten werden vastgesteld op basis van de dierbezetting op 2 juli 2015. Zij voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantastte en dat sprake was van een individuele en buitensporige last, mede vanwege gedwongen liquidatiegevaar.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel een regulering is die in overeenstemming is met het algemeen belang en dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. Het feit dat appellante investeringen deed in 2014 en 2015, terwijl het einde van het melkquotum en productiebeperkende maatregelen voorzienbaar waren, maakt dat zij de risico’s van haar ondernemersbeslissingen zelf draagt.
Verder kon niet worden vastgesteld dat appellante op de peildatum beschikte over alle benodigde vergunningen voor de gewenste dieraantallen. Het College concludeerde dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan die van appellante. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard.