Appellante, een boomkwekerij, werd door Naktuinbouw geconfronteerd met een factuur voor een areaalbijdrage over 2015 gebaseerd op de totale oppervlakte van haar kwekerij. Zij betwistte dat de bijdrage over het volledige areaal mocht worden geheven, omdat niet al het materiaal teeltmateriaal is in de zin van de Zaaizaad- en Plantgoedwet (Zpw).
Het College verwees naar eerdere rechtspraak en het wettelijke kader, waarin is bepaald dat de areaalbijdrage alleen geheven mag worden over het oppervlak met teeltmateriaal, dat wil zeggen planten die daadwerkelijk bestemd zijn voor de teelt van gewassen of daarvoor feitelijk worden gebruikt. Leveringen aan handelaren en hoveniers mogen als teeltmateriaal worden aangemerkt, tenzij aannemelijk is dat het materiaal rechtstreeks aan eindgebruikers wordt geleverd.
Naktuinbouw had de bijdrage berekend over het gehele opgegeven areaal, waarbij zij uitging van het vermoeden dat alles teeltmateriaal was, tenzij anders werd aangetoond. Appellante had onvoldoende bewijs geleverd dat een deel van het areaal bestemd was voor eindproducten en niet voor teeltmateriaal. Het College oordeelde dat Naktuinbouw de leveringen aan handelaren terecht als teeltmateriaal mocht beschouwen, maar dat leveringen aan eindgebruikers niet als zodanig mogen worden aangemerkt.
Het beroep van appellante werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het College gaf Naktuinbouw vier weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de juiste definitie van teeltmateriaal en de juiste oppervlakte. Tevens werd Naktuinbouw opgedragen het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.