ECLI:NL:CBB:2020:100
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechten en proceskostenveroordeling in geschil over stalcapaciteit en knelgevallenregeling
Appellant, een melkveehouder met een eenmanszaak, voerde tot 2013 samen met zijn broer een maatschap. Na ontbinding van de maatschap werd het bedrijf aan appellant toegewezen, met een verplichting tot betaling wegens overbedeling. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, met toepassing van een generieke korting. Appellant betwistte de korting, stelde dat hij grondgebonden was en dat de knelgevallenregeling onjuist werd toegepast.
Het College overwoog dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor grondgebondenheid en dat de knelgevallenregeling niet van toepassing is op niet-gerealiseerde uitbreidingen. Ook werd het beroep op een hogere melkproductie niet gevolgd wegens gebrek aan bewijs. Het College bevestigde dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het recht op eigendom en dat er geen individuele en buitensporige last voor appellant is, mede omdat hij medeverantwoordelijk was voor de bedrijfsontwikkeling tijdens het samenwerkingsverband.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellant hierdoor niet benadeeld is. Het beroep werd ongegrond verklaard. Het College bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden en veroordeelde verweerder in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.