Appellante, een melkveehouderij, had bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Zij stelde dat door bouwwerkzaamheden de groei van haar veestapel was gestagneerd, waardoor haar fosfaatrecht onterecht te laag was vastgesteld. Tevens voerde zij aan dat de melkproductie in 2015 door de bouwwerkzaamheden was gedaald en dat rekening gehouden moest worden met de productie van 2016. Daarnaast stelde zij dat haar bedrijf grondgebonden was en dat de landbouwgronden van de andere bedrijven van haar maten meegeteld moesten worden bij de fosfaatruimte.
Het College oordeelde dat stagnatie door bouwwerkzaamheden niet gecompenseerd hoeft te worden en dat de knelgevallenregeling correct was toegepast voor de dieraantallen. Wel werd geoordeeld dat het redelijk is om de melkproductie van 2016 te gebruiken omdat de productie in 2015 niet representatief was door de onrust bij het vee. De stelling dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met het eigendomsrecht faalde, evenals het betoog dat de landbouwgronden van andere bedrijven meegeteld moeten worden. Het College volgde de minister dat de drie bedrijven als zelfstandige bedrijven opereren.
Het beroep werd gegrond verklaard vanwege de melkproductiecorrectie, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.