ECLI:NL:CBB:2019:246
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering verhoging fosfaatrecht wegens aardbevingsschade melkveestal
Appellante, een melkveehouderij, had haar fosfaatrecht vastgesteld gekregen op basis van het aantal aanwezige melkkoeien en jongvee op de peildatum 2 juli 2015. Zij maakte bezwaar tegen de vaststelling, omdat zij door aardbevingsschade aan haar bestaande stallen minder vee kon houden dan zonder die schade het geval zou zijn geweest.
De aardbevingsschade was gemeld bij de NAM op 31 mei 2013, waarna een nieuwbouwplan werd opgesteld en een vaststellingsovereenkomst werd gesloten in oktober 2016. Appellante vorderde verhoging van haar fosfaatrecht op grond van artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet, dat een knelgevallenregeling biedt voor situaties waarin het fosfaatrecht ten minste 5% lager uitvalt door vernieling van stallen.
Verweerder wees de verhoging af omdat appellante niet voldeed aan de 5%-drempel. Het College oordeelde dat de vergelijking moet plaatsvinden tussen de situatie op de peildatum en de situatie zonder de vernieling, waarbij verweerder als referentiemoment de datum van schademelding hanteerde. Appellante kon geen alternatieve referentiedatum aandragen die tot overschrijding van de drempel zou leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van verhoging van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.