ECLI:NL:CBB:2019:625
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Geen individuele buitensporige last door fosfaatrechtenstelsel bij bedrijfsexpansie melkveehouderij
Appellante, exploitant van een melkveehouderij, stelde dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legde, omdat zij investeringen had gedaan gericht op uitbreiding van haar bedrijf. Het College onderzocht of de uitbreiding op 2 juli 2015 reeds gerealiseerd was en of onomkeerbare investeringen waren gedaan.
Het College constateerde dat de benodigde vergunningen voor de uitbreiding van de ligboxenstal op 2 juli 2015 nog niet waren verleend en dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd van onomkeerbare investeringen vóór die datum. De opdrachtbevestiging van de aannemer dateerde van na 2 juli 2015 en financiering was pas in mei 2016 beschikbaar.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij door het stelsel onevenredig werd getroffen. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek niet als benadeling gezien. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van onomkeerbare investeringen en ontbrekende vergunningen op 2 juli 2015.