ECLI:NL:CBB:2019:478
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over fosfaatrechten en generieke korting melkveehouder
Appellant, een melkveehouder, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Landbouw waarin zijn fosfaatrecht werd vastgesteld met toepassing van een generieke korting van 8,3%. Hij voerde aan dat deze korting ten onrechte werd toegepast vanwege een vrijstelling en dat het fosfaatrechtenstelsel zijn eigendomsrecht aantast en leidt tot een individuele en buitensporige last.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vrijstelling van de AMvB grondgebondenheid geldt niet automatisch voor het fosfaatrechtenstelsel. De generieke korting is dus terecht toegepast.
Verder oordeelde het College dat appellant bewust had gekozen voor een forse groei van zijn veestapel, waarbij hij investeringsrisico's liep die tot het ondernemersrisico behoren. De vermeende individuele en buitensporige last werd niet vastgesteld, mede omdat appellant in latere jaren fosfaatrechten bijkocht en voldoende liquide middelen had.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellant hierdoor niet was benadeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, de minister werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in proceskosten.