ECLI:NL:CBB:2019:442
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en generieke korting niet-grondgebonden melkveehouderij
Appellante exploiteert een melkveehouderij die niet grondgebonden is en heeft haar bedrijf uitgebreid met vergunningen en bouw van een ligboxenstal. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van het aantal dieren op 2 juli 2015 en paste een generieke korting van 8,3% toe. Appellante stelde dat dit besluit haar eigendomsrecht schendt en een individuele en buitensporige last oplevert, onder meer doordat zij de stal niet volledig kan benutten en de financieringslasten blijven drukken.
Verweerder betwist het bestaan van een individuele buitensporige last en wijst op het ondernemersrisico en het ontbreken van bewijs voor betalingsonmacht. Ook is de generieke korting volgens verweerder gerechtvaardigd en niet strijdig met het gelijkheidsbeginsel.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel op regelings- en individueel niveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Appellante heeft onvoldoende inzicht gegeven in haar bedrijfssituatie, zoals vermogenspositie en overige inkomsten, om een individuele buitensporige last aannemelijk te maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Wel wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht worden vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten met generieke korting wordt ongegrond verklaard.