ECLI:NL:CBB:2019:441
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechten en eigendomsrecht bij uitbreiding melkveebedrijf
Appellante, een maatschap die een melkveebedrijf exploiteert, stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schendt doordat zij onvoldoende fosfaatrechten kreeg toegekend voor haar beoogde uitbreiding. Zij voerde aan dat dit haar bedrijfsvoering in gevaar brengt en dat zij haar investeringen niet kan terugverdienen. Ter onderbouwing overlegde zij liquiditeitsbegrotingen die negatieve saldi tonen, maar zonder aanvullende financiële gegevens zoals vermogenspositie.
Verweerder stelde dat het fosfaatrechtenstelsel een fair balance biedt en dat er geen sprake is van een individuele buitensporige last. Verweerder betwistte de causaliteit tussen het stelsel en het gevaar voor de bedrijfscontinuïteit en wees op de beperkte arbeidsongeschiktheid van een van de maten en de mogelijkheid tot compensatie binnen de maatschap.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel op regelings- en individueel niveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit was ingetrokken en vervangen door het herzieningsbesluit. Het beroep tegen het herzieningsbesluit werd ongegrond verklaard, mede omdat de liquiditeitsbegrotingen geen causaal verband aantoonden tussen het stelsel en het gevaar voor de bedrijfsvoering.
Hoewel het herzieningsbesluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante hierdoor niet benadeeld werd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt dat niet elk vermogensverlies door het fosfaatrechtenstelsel als buitensporig kan worden aangemerkt.
Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit wordt ongegrond verklaard; het fosfaatrechtenstelsel vormt geen individuele buitensporige last.