ECLI:NL:CBB:2019:381
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Geen individuele en buitensporige last door fosfaatrechtenstelsel bij bedrijfsexpansie melkveehouderij
Appellante exploiteert een melkveehouderij en heeft haar bedrijf vanaf 2012 uitgebreid met aanzienlijke investeringen in vergunningen en een nieuwe stal. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, waarna appellante bezwaar maakte tegen de vaststelling en het daarop volgende besluit.
Appellante stelde dat het fosfaatrechtenstelsel en de generieke korting een onaanvaardbare inbreuk maken op haar eigendomsrecht (artikel 1 EP Pro), omdat zij door het stelsel een individuele en buitensporige last draagt. Zij onderbouwde dit met liquiditeitsbegrotingen en stelde dat de stal deels leegstaat door het fosfaatrecht. Verweerder betwistte dit en wees op het ondernemersrisico van de uitbreidingskeuzes van appellante, die bewust koos voor groei terwijl productiebeperkende maatregelen voorzienbaar waren.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met artikel 1 EP Pro en dat appellante geen individuele en buitensporige last draagt. De uitbreiding was pas laat gerealiseerd terwijl de risico’s bekend waren. De liquiditeitsbegrotingen missen voldoende bewijskracht en houden geen rekening met de generieke korting of actuele prijzen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard; geen individuele en buitensporige last vastgesteld.