ECLI:NL:CBB:2019:343
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Randvoorwaardenkorting opgelegd wegens niet-emissiearme aanwending van drijfmest
Appellante kreeg een randvoorwaardenkorting van 20% opgelegd op haar rechtstreekse GLB-betalingen voor 2016 vanwege niet-emissiearme aanwending van rundveedrijfmest op grasland. Dit werd vastgesteld na een controle door toezichthouders van de NVWA, die constateerden dat mest niet volgens de voorschriften werd uitgereden, onder meer door loshangende slangen en verkeerd bevestigde uitlooprubbers.
Appellante voerde aan dat zij onjuist was gehoord, dat toezichthouders onrechtmatig het perceel betraden en dat het bewijs onvoldoende was. Het College oordeelde dat het horen correct was uitgevoerd, de toezichthouders bevoegd waren het perceel te betreden en dat het proces-verbaal en de foto's voldoende bewijs leverden voor de overtreding.
Verder stelde appellante overmacht en betwistte zij opzet. Het College verwierp overmacht omdat appellante verantwoordelijk was voor de juiste werking van de apparatuur en oordeelde dat sprake was van opzettelijke niet-naleving, omdat zij het risico van niet-naleving aanvaardde door het slechte werkresultaat niet te controleren.
De minister was op grond van EU-verordening verplicht de korting van 20% toe te passen. Het beroep werd ongegrond verklaard en een verlaging van de korting wegens impact op het bedrijf werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de randvoorwaardenkorting van 20% wegens niet-emissiearme aanwending van drijfmest wordt ongegrond verklaard.