Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen
Firma [naam 1] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Is de afwijking groter dan 2%, dan zal ook een verdere inhoudelijke beoordeling van dit referentieperceel volgen en mogelijk een aanpassing van het referentieperceel. Er volgt geen aanpassing als in het aangevraagde regelingsperceel niet-subsidiabele elementen zijn meegenomen. Het niet overnemen van de aangevraagde oppervlakte zal dan moeten worden gemotiveerd. De toepassing van de 2% marge bepaling vindt overigens plaats per individueel regelingsperceel, op niveau van het referentieperceel, aldus verweerder.
Ten derde kan worden gesteld dat, indien de afwijkingen enkel binnen de marge van 2% vallen, dit in het algemeen niet leidt tot een administratieve sanctie voor overdeclaratie. De sanctie wordt pas opgelegd bij een afwijking van meer dan 3% of twee ha van het geconstateerde areaal. Als een landbouwbedrijf heel veel grond heeft dan is het mogelijk dat toepassing van de 2% marge toch leidt tot een afwijking (ten opzichte van het geconstateerde areaal) van meer dan twee ha. Dat is dan echter een gevolg dat inherent is aan de regelgeving. Er is bewust gekozen voor een grens van zowel 3% als twee ha, terwijl daarnaast ook een marge van 2% in de regelgeving is opgenomen. Als de overdeclaratie het gevolg zou zijn van enkel minimale verschillen, hetgeen kan voorkomen bij bedrijven met heel veel grond, kan volgens de systematiek van de regelgeving alleen van een administratieve sanctie worden afgezien, indien de landbouwer geen schuld treft. Dat zal echter van alle omstandigheden van het concrete geval afhangen. Verweerder verwijst in dit verband (nog) naar het arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 1997, zaak C-354/95 (National Farmers Union), waarin het Hof heeft overwogen dat het sanctiestelsel niet onevenredig is. Het stelsel voorziet in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel, waarbij al rekening is gehouden met eisen van proportionaliteit en evenredigheid.
– binnen de rode lijn – binnen het referentieperceel ligt en alsnog kan worden aangemerkt als subsidiabele oppervlakte. Daarmee heeft verweerder erkend dat het herziene bestreden besluit 1 op dit punt in strijd met het zorgvuldigheids- en een motiveringsbeginsel is genomen. De beroepsgrond van appellante slaagt reeds hierom.
Voor de berekening van de 2% marge wordt derhalve niet uitgegaan van het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte van het regelingsperceel. Gelet op hetgeen in deze uitspraak van 23 april 2019 is overwogen, is het in het verweerschrift neergelegde standpunt van verweerder onjuist. Wat betreft de percelen 28, 32, 34, 35, 37, 38, 39, 41, 54, 56, 78, 90, 99, 121 en 147 moet dus worden geoordeeld dat vanwege het door verweerder ingenomen en door het College onjuist geachte standpunt in deze procedure niet duidelijk is geworden of verweerder in dit geval een juiste toepassing heeft gegeven aan de 2% marge (op het niveau van het referentieperceel) en of hij de subsidiabele oppervlakte van de deze percelen, gelet op hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd, op regelingsperceel juist heeft vastgesteld. Verweerder dient dit bij een eventuele wijziging van het herziene bestreden besluit 1 of een nieuw te nemen beslissing op bezwaar naar aanleiding van deze tussenuitspraak alsnog te herstellen.