Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder waarin het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2016 werd vastgesteld op basis van een oppervlakte van 88,65 hectare, terwijl appellante 90,60 hectare had opgegeven. Verweerder handhaafde het besluit en beriep zich op een marge van 2% bij de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte op referentieperceelniveau.
Appellante voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de door haar ingediende GPS-metingen en 3D veldfoto’s, die een nauwkeuriger beeld van de perceelgrenzen zouden geven dan de gebruikte luchtfoto’s. Ook stelde zij dat taluds langs sloten ten onrechte niet als subsidiabel landbouwareaal waren aangemerkt.
Het College overwoog dat de 2% marge uit artikel 5, derde lid, van Verordening 640/2014 alleen op het niveau van het referentieperceel geldt en dat verweerder terecht uitging van de juistheid van de referentiepercelen. De GPS-metingen kunnen aanleiding geven tot aanpassing van referentiepercelen maar zijn niet zonder meer bepalend. De taluds langs sloten zijn volgens het College terecht niet als subsidiabel landbouwareaal aangemerkt omdat zij hoofdzakelijk voor waterbeheer worden gebruikt.
Het beroep is ongegrond verklaard en het College bevestigt dat de oppervlakte en perceelgrenzen zoals vastgesteld door verweerder juist zijn. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.