ECLI:NL:CBB:2019:154
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen tijdelijke zendvergunning wegens ontbreken procesbelang
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar tegen een tijdelijke zendvergunning niet-ontvankelijk verklaarde vanwege het ontbreken van procesbelang. De vergunning betrof het gebruik van frequentieruimte voor een evenement in september-oktober 2016. Appellant en zijn moeder, die naast het evenement woonde, verbleven tijdelijk in een andere woning vanwege stralingsklachten. De moeder is inmiddels overleden.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen procesbelang had omdat het bezwaar pas na afloop van de vergunning ontvankelijk werd ingediend en het doel van het bezwaar, het stoppen van het uitzenden, niet meer kon worden bereikt. Appellant stelde in hoger beroep dat de staatssecretaris het ontbreken van procesbelang zelf had veroorzaakt door vertraagde besluitvorming en het niet publiceren van de vergunning, en dat hij wel degelijk schade had geleden.
Het College overwoog dat alleen een belanghebbende met een daadwerkelijk te bereiken resultaat procesbelang heeft. De vergunning was verlopen voordat het bezwaar ontvankelijk werd, waardoor het beoogde resultaat niet meer haalbaar was. Ook was niet gebleken dat het evenement jaarlijks terugkeert. De gestelde immateriële schade werd niet aannemelijk gemaakt met medische of objectieve onderbouwing. Het College bevestigde daarom dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was wegens ontbreken van procesbelang en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.