ECLI:NL:CBB:2018:453
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging randvoorwaardenkorting voor niet-naleving opslag agrarische bedrijfsstoffen
Appellant werd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd op de rechtstreekse betalingen voor 2016 vanwege een niet-conforme opslag van agrarische bedrijfsstoffen. Deze opslag voldeed niet aan de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat de betonplaat geen opstaande rand had en niet was aangesloten op een opvangput, waardoor mogelijk vloeistoffen in de bodem konden lekken.
Appellant betwistte de bevindingen van de toezichthouder en stelde dat er geen daadwerkelijke verontreiniging had plaatsgevonden, dat de betonplaat wel degelijk was aangesloten op een opvangvoorziening en dat het niet realistisch was om binnen korte tijd een nieuwe opslagvoorziening te realiseren. Ook verwees hij naar eerdere controles zonder opmerkingen.
Het College oordeelde dat het bestuursorgaan terecht mocht afgaan op het milieu-inspectierapport en de memo van de toezichthouder, en dat appellant onvoldoende onderbouwing leverde voor zijn betwisting. Het doel van de regelgeving is het voorkomen van verontreiniging, waardoor het niet hebben van de juiste opslagvoorziening op zichzelf al een overtreding vormt, ongeacht daadwerkelijke verontreiniging.
Verder stelde het College vast dat geen sprake was van een herhaalde overtreding en dat de opgelegde korting van 3% conform de wettelijke bepalingen was, zonder aanleiding voor een lagere korting. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting van 3% gehandhaafd.