Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2015 op de hoger beroepen van:
Autoriteit Consument en Markt(ACM)
(gemachtigden: mr. J.M. Strijker-Reintjes en mr. L. Jörg),
2.
[BV 1]AVR-[BV 1], te Rotterdam ( [BV 1] )
(gemachtigde: mr. R. Wesseling),
3.
[BV 2], te Rotterdam ( [BV 2] )
(gemachtigden: mr. H.A. Bravenboer en mr. M.A.D. Bol),
4.
[BV 3], te Rotterdam ( [BV 3] )
(gemachtigden: mr. H.A. Bravenboer en mr. M.A.D. Bol),
5.
[BV 4], te Oudewater ( [BV 4] )
(gemachtigden: mr. H.A. Bravenboer en mr. M.A.D. Bol),
6.
[BV 5], te Rotterdam ( [BV 5] )
(gemachtigden: mr. M.A. Jacobs en mr. F.W. Barendrecht),
[BV 6] , te Hellevoetsluis,
ACM.
Procesverloop in hoger beroep
mr. R.W. Veldhuis. [BV 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. [BV 2] , [BV 3] en [BV 4] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [BV 6] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, alsmede door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
16 november 2011 vernietigd. De rechtbank heeft, voor zover voor de hoger beroepen van belang, het volgende overwogen.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
28 april 2010. Hieruit blijkt dat de tapverslagen en andere overgedragen informatie niet tot het strafdossier behoorden, ook niet op verzoek van de verdediging van [BV 2] , en niets van doen hadden met de scope van het ToTo-onderzoek.
ACM wil ten onrechte doen geloven dat aan de wijze waarop en de vorm waarin akkoord is verleend voor de overdracht van de gegevens een gedegen belangenafweging ten grondslag ligt. De rechtbank heeft die suggestie terecht doorgeprikt. Van enige actieve rol van de officier van justitie is volstrekt niet gebleken. Dit terwijl de bevoegdheid van overdracht en de plicht tot daaraan voorafgaande belangenafweging wel bij het OM en niet bij de ambtenaren van VROM-IOD lag. Het gaat hierbij om een niet herstelbaar verzuim, dat bovendien nog steeds niet is hersteld.
30 juni 2010, 7 juli 2010 en 2 september 2010 ten onrechte hebben plaatsgevonden, omdat de strafzaak tegen hen is geëindigd met het treffen van een schikking op 24 maart 2010. Met ACM is het College van oordeel dat die strafzaak eerst geëindigd is op het moment dat het vonnis van de rechtbank van 5 juli 2010 onherroepelijk is geworden, derhalve op 19 juli 2010. Gelet op de termijn van twee maanden genoemd in artikel 126cc, tweede lid, Sv was er ten tijde van alle verstrekkingen nog geen sprake van een situatie dat de verstrekte gegevens vernietigd hadden moeten zijn.
Beslissing
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de incidenteel hoger beroepen ongegrond;