202402275/1/A3.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2024 in zaak nr. 23/1951 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2022 heeft het college het verzoek van [appellante] om haar adresgegevens in de basisregistratie personen (brp) te corrigeren afgewezen.
Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 februari 2023 vernietigd en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juli 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.F. Jim, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 17 augustus 2022 heeft [appellante] een aanvraag ingediend waarbij zij het college op grond van artikel 2.58 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) verzoekt met betrekking tot haar adresgegeven een correctie toe te passen over de periode 27 maart 2008 tot 11 augustus 2008. Hiertoe verwijst zij naar verschillende stukken waaruit zou volgen dat zij in die periode aan de [locatie] in Rotterdam heeft gewoond. Bij het besluit van 2 september 2022 heeft het college het verzoek van [appellante] afgewezen. Met het besluit van 17 februari 2023 heeft het college de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het besluit van 17 februari 2023 in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft genomen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank heeft in dit geval aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het geconstateerde gebrek alsnog heeft hersteld en dat [appellante] zich hierover ook voldoende heeft kunnen uitlaten. Het college heeft in het verweerschrift alsnog voldoende gemotiveerd dat op basis van de door [appellante] overgelegde stukken niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de daarin weergegeven gegevens juist zijn. De overgelegde stukken zijn, nog daargelaten dat het geen brondocumenten betreffen, onvoldoende om aan te tonen dat [appellante] in de periode van 27 maart 2008 tot 11 augustus 2008 aan de [locatie] woonde, aldus de rechtbank. De financiële gevolgen voor [appellante], die overigens niet met stukken zijn onderbouwd, kunnen volgens de rechtbank geen rol spelen bij deze besluitvorming.
Juridisch kader
3. Artikel 2.20, derde lid, van de Wet brp luidt:
"Als datum van adreswijziging opgenomen:
a. de in de aangifte vermelde datum van adreswijziging, als tijdig aangifte is gedaan;
b. de dag waarop de aangifte is ontvangen, in de overige gevallen waarin de gegevens aan de aangifte van de betrokkene worden ontleend.
c. de dag waarop van het voornemen tot opneming aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan, bij ambtshalve opneming van de gegevens."
Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp luidt:
"Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland."
Artikel 2:58 van de Wet brp luidt:
"1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening […] bevat de aan te brengen wijzigingen.
2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.[…]"
Hoger beroep
Het standpunt van [appellante]
4. [appellante] betoogt, in de kern, dat de rechtbank het criterium "buiten redelijke twijfel" te stringent heeft toegepast. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat brondocumenten noodzakelijk zijn voor de wijziging van haar adresgegevens en dat de rechtbank de bewijslast ten onrechte geheel voor rekening van haar brengt. Het college betwist de juistheid van de door haar overgelegde bewijsstukken niet, evenmin het feit dat zij daadwerkelijk in Rotterdam verbleef. Zij betoogt verder dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 17 februari 2023 ten onrechte in stand heeft gelaten, omdat het motiveringsgebrek niet is hersteld met de door het college gegeven toelichting op de zitting en in het verweerschrift. Volgens haar is wel degelijk buiten redelijke twijfel dat zij in de desbetreffende periode aan de [locatie] woonde. Toen zij via de Belastingdienst/Toeslagen werd geconfronteerd met het feit dat haar brp niet op orde was, heeft zij direct actie ondernomen en alsnog een melding van haar verhuizing gedaan. Dit had tot gevolg dat de terugvordering van de huurtoeslag is komen te vervallen. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bepalingen uit de Wet brp geen ruimte laten voor een belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank had in dit kader moeten betrekken dat zij direct actie heeft ondernomen toen zij met haar onjuiste registratie werd geconfronteerd en het feit dat de onjuiste registratie niet aan haar was te wijten.
Het oordeel van de Afdeling
4.1. Voor het wijzigen van in de brp geregistreerde gegevens moet volgens de vigerende Afdelingsjurisprudentie worden beoordeeld of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde documenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde gegevens juist zijn (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198 en ECLI:NL:RVS:2022:1300, en 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2540). 4.2. In gevallen waarbij de te wijzigen gegevens de burgerlijke staat betreffen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder a, sub 1 van de Wet brp volgt uit artikel 2.8 van de Wet brp dat het bewijs van de juistheid van de wijzigen gegevens moet worden geleverd in de vorm van zogenaamde brondocumenten. In dit geval betreft het te wijzigen gegeven echter de datum vanaf wanneer zij op het in de brp geregistreerde adres woonde, zodat daarvoor niet het vereiste geldt dat het bewijs alleen kan worden geleverd door middel van bedoelde brondocumenten. [appellante] klaagt er derhalve terecht over dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij het bewijs van haar stelling slechts door middel van brondocumenten zou kunnen leveren. Dit leidt echter gelet op het navolgende niet tot een geslaagd hoger beroep.
4.3. [appellante] is sedert 11 augustus 2008 in de brp ingeschreven op het adres [locatie]. In geschil is of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde documenten en nadere bewijsmiddelen volgt dat zij reeds vanaf 27 maart 2008 op dat adres woonden. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar verzoek onder meer een huurovereenkomst, een huurspecificatie en bankafschriften overgelegd.
4.4. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat uit de door [appellante] overgelegde stukken niet buiten redelijke twijfel volgt dat zij ook al in de periode 27 maart 2008 tot 11 augustus 2008 aan de [locatie] woonde. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college hierbij van belang mocht achten dat uit de verklaring van Stichting Arosa volgt dat [appellante] daar heeft verbleven tot 27 februari 2007, terwijl de huurovereenkomst voor de woning aan de [locatie] al is ingegaan op 14 februari 2007. Dat maakt dat in het kader van de brp-registratie in ieder geval geen eenduidige voor 11 augustus 2008 gelegen verhuisdatum vanaf haar voorgaande adres kan worden vastgesteld. Hoewel aannemelijk dat [appellante] in 2008 op een of meerdere momenten of perioden aan de [locatie] heeft verbleven, kan ook op basis van de overige overlegde bewijsstukken niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat [appellante] al per 27 maart 2008, dan wel op een ander voor 11 augustus 2008 gelegen tijdstip, daadwerkelijk aan de [locatie] woonde. De rechtbank heeft daarom terecht en op goede gronden geoordeeld dat uit de overgelegde stukken ook niet een voor 11 augustus 2008 gelegen andere daadwerkelijke verhuisdatum van [appellante] kan worden opgemaakt. Dat het college de juistheid van de overgelegde documenten niet betwist maakt dit niet anders, aangezien dat op zich nog niet maakt dat uit die documenten een voor 11 augustus 2008 gelegen daadwerkelijke verhuisdatum zou kunnen worden afgeleid.
4.5. Het betoog dat de rechtbank dus ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van het college in stand heeft gelaten slaagt dus niet.
Evenredigheid
4.6. De Afdeling overweegt dat artikel 2.22 van de Wet brp dwingend voorschrijft dat de bijhoudingsgemeente zorgdraagt voor uitschrijving indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van haar geen aangifte van wijziging van haar adres of van vertrek is ontvangen en na gedegen onderzoek geen gegevens over haar kunnen worden achterhaald. De Wet brp is een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10 (de uitspraak van 1 maart 2023), kan de toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp daarom niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, zoals ook neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. 4.7. Onder 9.11-9.14 van de uitspraak van 1 maart 2023 heeft de Afdeling uiteengezet dat aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legemtoepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
4.8. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2926, is het doel van de Wet brp dat de in de basisregistratie personen vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de basisregistratie personen gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Zoals is vermeld in de memorie van toelichting bij de Wet brp (Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, blz. 42 en 133) wordt in artikel 2.22 een expliciete regeling getroffen voor het opschorten van de bijhouding van de persoonslijst van een ingezetene die het adres waarop hij in de basisregistratie is ingeschreven, heeft verlaten en spoorloos is. Daaruit volgt dat de wetgever heeft onderkend dat de werkelijke woon- of adressituatie in de gevallen waarin artikel 2.22 van de Wet brp toepassing vindt, niet bekend is. De memorie van toelichting vermeldt verder dat er niet lichtvaardig tot ambtshalve toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp mag worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk waarbij wordt aangegeven dat het voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel vanuit gaan dat hij niet meer in Nederland verblijft. Zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten.
4.9. De wetgever heeft bewust onderkend en aanvaard dat in een situatie zoals die waarin [appellante] verkeerde, namelijk het als gevolg van het ontbreken van een adresgegeven in de brp geregistreerd zijn als "vertrokken uit Nederland", in beginsel tot gevolg heeft dat uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene stop worden gezet. Daarom bestaat er geen aanleiding voor contra-legemtoepassing zoals bedoeld onder 4.7. Naar het oordeel van de Afdeling doen zich in een geval als dat van [appellante] geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarom komt de Afdeling niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege zou moeten blijven.
4.10. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
85-1101