ECLI:NL:RVS:2026:4188

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
202505467/2/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep wegens strijd met beginsel behoorlijke procesvoering

Het verzet betreft een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 december 2025, waarin de Afdeling zich kennelijk onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het hoger beroep van de opposant tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023.

De Afdeling heeft het verzet behandeld en geoordeeld dat het doel van de verzetprocedure is na te gaan of het hoger beroep ten onrechte vereenvoudigd is behandeld. De Afdeling concludeert dat zij terecht heeft geoordeeld niet bevoegd te zijn en dat daarover geen twijfel bestaat. Nieuwe argumenten van de opposant konden dit niet veranderen.

Daarnaast overweegt de Afdeling ambtshalve dat de opposant zich in zijn stukken en e-mails herhaaldelijk schuldig maakt aan ongepaste, beledigende en dreigende taal, waarmee hij het beginsel van behoorlijke procesvoering schendt. De Afdeling waarschuwt dat voortzetting hiervan kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van rechtsmiddelen en dat er sprake is van misbruik van procesrecht.

Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de proceskosten worden niet vergoed.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege terecht geconstateerde onbevoegdheid en schending van het beginsel van behoorlijke procesvoering.

Uitspraak

202505467/2/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; Awb) van:
[opposant], wonend in [woonplaats],
opposant,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2025 in zaak nr. 202505467/1/A2.
Procesverloop
Het verzet richt zich tegen de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2025 in zaak nr. 202505467/1/A2. Bij die uitspraak heeft de Afdeling zich na vereenvoudigde behandeling kennelijk onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep van [opposant] tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023.
Tegen deze uitspraak heeft [opposant] verzet gedaan.
De Afdeling heeft het verzet op een zitting behandeld op 13 mei 2026, waar [opposant] is verschenen.
Na het sluiten van het onderzoek heeft [opposant] het lid van de zittingskamer gewraakt. Het verzoek tot wraking is bij uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2026 afgewezen.
Overwegingen
1.       Het doel van deze verzetprocedure is slechts na te gaan of, in dit geval, het hoger beroep van [opposant] ten onrechte vereenvoudigd is behandeld op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb. De Afdeling kan zich alleen zonder zitting onbevoegd verklaren om van een hoger beroep kennis te nemen als dat ‘kennelijk’ het geval is. Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is dat de Afdeling niet mag beslissen op het hoger beroep, omdat zij niet de bevoegde rechter is. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of de Afdeling terecht heeft geoordeeld dat zij niet de bevoegde rechter is, en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die onbevoegdverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daarover gaan.
2.       [opposant] heeft het hoger beroep ingesteld nadat de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 15 januari 2025 het verzet van [opposant] tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juni 2024 ongegrond had verklaard. In laatstgenoemde uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep van [opposant] tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023 in zaak nrs. 22/2154 en 22/2156 na vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling heeft in haar uitspraak waarvan verzet geoordeeld dat [opposant], ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen kopie heeft overgelegd van de uitspraak waartegen zijn hoger beroep zich richt, zodat de Afdeling niet heeft kunnen vaststellen of zij bevoegd is in de zaak waarop de uitspraak van de rechtbank Gelderland betrekking heeft, en dat de Awb niet voorziet in de mogelijkheid van hoger beroep tegen de uitspraak van een andere hogerberoepsrechter, in dit geval de Centrale Raad van Beroep. In het verzetschrift van [opposant] en de ter zitting gegeven toelichting zijn geen argumenten te ontwaren voor de conclusie dat de Afdeling ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet de bevoegde rechter is en dat daar geen twijfel over mogelijk is. Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat het beroep niet verder inhoudelijk wordt behandeld.
3.       De Afdeling overweegt ambtshalve nog het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, onder 2, en de in deze uitspraak genoemde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens), is in een bestuursrechtelijke procedure eenieder die daarin een rol heeft, waaronder de rechtszoekende, gebonden aan het beginsel van behoorlijke procesvoering. Dat beginsel houdt onder meer in dat zowel schriftelijk als mondeling het debat met elkaar gevoerd moet worden op een fatsoenlijke manier, zonder daarbij gebruik te maken van ongepaste, beledigende en dreigende teksten en/of uitlatingen. De rechter kan overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel als het taalgebruik de grenzen van de normale, beschaafde en legitieme kritiek overstijgt en/of in een procedure systematisch rechters of medewerkers van een gerecht, bestuursorganen of representanten van bestuursorganen worden beschuldigd van vooringenomenheid, partijdigheid of het plegen van misdrijven.
4.       De Afdeling wijst [opposant] erop dat, als hij doorgaat met het sturen van stukken naar de Afdeling op de manier zoals hij dat in deze procedure heeft gedaan en zoals beschreven in 4.1 en 4.2, [opposant] er rekening mee moet houden dat de Afdeling zal kunnen oordelen dat hij handelt in strijd met dit beginsel van behoorlijke procesvoering en daaraan consequenties zal verbinden.
4.1.    Het verzetschrift bevat namelijk een groot aantal passages met ongepaste, beledigende en dreigende teksten. [opposant] laat zich onder meer beledigend uit over het parlement en een groot aantal, al dan niet voormalige, politici. Hij beschuldigt hen en leden van de rechterlijke macht van het plegen van misdrijven, waaronder ambtsmisdrijven, corruptie, verkiezingsfraude, landverraad, het doen van valse aangiften, obstructie van de rechtsgang, dood door schuld, fraude, misleiding, oplichting, misdrijven tegen de menselijkheid en het deelnemen aan een criminele organisatie. Dat doet hij in ongeremd grensoverschrijdend taalgebruik. Op de zitting bij de Afdeling heeft [opposant] zijn verzet niet toegelicht, hoewel hem dat is gevraagd, maar heeft hij volstaan met herhaling van de verdachtmakingen, mede aan het adres van de behandelend staatsraad.
4.2.    Verder zendt [opposant] al gedurende langere tijd een zeer groot aantal e-mails aan een algemeen e-mailadres van de Algemene Kamer van de Afdeling, waarin [opposant] dezelfde grensoverschrijdende taal bezigt als hiervoor genoemd. In vrijwel alle gevallen is in die e-mails geen rechtsmiddel te ontwaren, noch enige behoefte aan rechtsbescherming, en kan het ontvangen van de e-mails dan ook niet leiden tot het starten van een nieuwe procedure. Het is daarom in vrijwel alle gevallen onduidelijk wat [opposant] beoogt met deze e-mails. In ieder van de e-mails geeft [opposant] weer wat zijn visie is op tal van zaken, die evenwel niet aan hem regarderende bestuursrechtelijke besluitvorming te koppelen zijn. Daarbij bedient hij zich van schuttingtaal en uit hij de onder 4.1 bedoelde, of daarmee vergelijkbare, beledigingen en beschuldigingen. Verder fantaseert hij over het doden van militairen en een voormalig minister-president, verwenst hij politici en uit hij dreigende taal richting ambtsdragers.
5.       Verder neemt de Afdeling in aanmerking wat de wrakingskamer van de Afdeling heeft overwogen in uitspraken op verzoeken van [opposant] om wraking. In deze procedure heeft de Afdeling, bij uitspraak van 29 mei 2026, overwogen dat de handelwijze van [opposant] moet worden gekwalificeerd als misbruik van de bevoegdheid om een verzoek om wraking in te dienen. De Afdeling heeft verder in een eerdere uitspraak overwogen dat de Partij voor alle Zaken, waarvan [opposant] gemachtigde en vertegenwoordiger was, misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen (uitspraak van 17 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1925). Ook heeft de Afdeling verschillende keren een wrakingsverzoek van [opposant] buiten behandeling gelaten, omdat het verzoek om wraking was gericht tegen de Afdeling als zodanig (uitspraak van 9 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1511, en uitspraak van 11 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1519).
6.       De Afdeling zal in het vervolg bij stukken die [opposant] aan haar stuurt en die beogen een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen steeds eerst onderzoeken of [opposant] in die stukken in strijd handelt met het beginsel van behoorlijke procesvoering. Als dat het geval is, zal de Afdeling [opposant] in de gelegenheid stellen om het processtuk te ontdoen van ongepaste, beledigende en/of bedreigende taal. Doet hij dat niet, dan moet [opposant] er rekening mee houden dat het rechtsmiddel dat hij instelt niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens strijd met genoemd beginsel.
7.       De Afdeling zal verder bij procedures die [opposant] bij haar aanhangig maakt in het vervolg ook steeds onderzoeken of [opposant] daarmee misbruik maakt van procesrecht, omdat het hem kennelijk niet daadwerkelijk te doen is om het verkrijgen van rechtsbescherming. De Afdeling zal er, gelet op het hiervoor geschetste patroon in het procedeergedrag van [opposant] en de systematisch op belediging en verdachtmaking gerichte uitlatingen voorshands van uitgaan dat daarvan sprake is. Het is aan [opposant] om het vermoeden dat daarvan sprake zal zijn in individuele toekomstige zaken te weerleggen.
8.       De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
488-1175