ECLI:NL:RVS:2026:4169
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Betrokkenen, Moldavische staatsburgers, dienden asielaanvragen in Nederland in, die de minister van Asiel en Migratie op 29 oktober 2025 niet in behandeling nam vanwege de verantwoordelijkheid van België op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank Den Haag oordeelde op 5 februari 2026 dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België van toepassing was, mede vanwege het ontbreken van effectieve opvang en rechtsbescherming in België voor gezinnen met minderjarige kinderen met opvolgende asielaanvragen. De rechtbank vernietigde de besluiten en beval nieuwe besluitvorming.
De minister stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat België structureel geen opvang biedt aan deze groep en dat er wel effectieve rechtsmiddelen bestaan. De minister had de motivering voldoende onderbouwd.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen van betrokkenen niet-ontvankelijk verklaard omdat de asielaanvragen inmiddels alsnog in behandeling zijn genomen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat de asielaanvragen inmiddels alsnog in behandeling zijn genomen.