ECLI:NL:RVS:2026:332
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens onderbroken hoofdverblijf in Nederland
De appellant, houder van de Surinaamse nationaliteit, diende een verzoek in tot naturalisatie op 13 juli 2023. Hij had sinds 4 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn Nederlandse partner en stond vanaf 4 maart 2019 op hetzelfde adres ingeschreven. Vanwege familieomstandigheden verbleef hij van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname, waarbij zijn partner hem kort begeleidde.
De staatssecretaris wees het verzoek af omdat de appellant niet onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland had in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, zoals vereist in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Ook was de verkorte termijn van drie jaar niet van toepassing omdat de samenwoning met zijn partner in die periode was onderbroken.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en wees het beroep van de appellant af. In hoger beroep stelde de appellant dat zijn verblijf in Suriname de samenwoning niet onderbrak en dat bijzondere omstandigheden toepassing van artikel 10 RWN Pro rechtvaardigden. De Afdeling oordeelde dat de afwezigheid van ongeveer acht maanden een substantiële onderbreking vormt en dat de bijzondere omstandigheden onvoldoende waren om van de wettelijke vereisten af te wijken.
Verder werd geoordeeld dat het toetsingsverbod voor wetten in formele zin toepassing vindt, waardoor het evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 Awb Pro niet konden worden toegepast. Ook werd geen schending van de hoorplicht of de Gezinsherenigingsrichtlijn vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het naturalisatieverzoek is afgewezen wegens onderbroken hoofdverblijf en samenwoning in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.