ECLI:NL:RVS:2026:3300
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- M. den Heyer
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep gegrond verklaard tegen niet tijdig besluit asielaanvraag
Appellant diende op 5 september 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit, waarna appellant de minister op 12 maart 2024 in gebreke stelde en vervolgens beroep instelde tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister al vanaf de datum van indiening van de aanvraag verantwoordelijk was voor de behandeling, omdat geen geldig onderzoek naar overdracht aan een andere lidstaat had plaatsgevonden. De beslistermijn was derhalve al op 5 september 2023 aangevangen, waardoor de ingebrekestelling niet te vroeg was.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en stelt de minister in de verplichting binnen acht weken na verzending van deze uitspraak het eerste gehoor af te nemen en binnen zestien weken een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €7.500, opgelegd voor het niet naleven van deze uitspraak. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt verplicht binnen gestelde termijnen een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.