ECLI:NL:RVS:2026:2907
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. den Ouden
- N. Verheij
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit staatssecretaris over vergoeding kosten buitenlandse STM’s Drielandentrein
Op 14 december 2020 verleende de staatssecretaris een specifieke uitkering voor de aanpassing van Arriva-treinen aan het Europese veiligheidssysteem ERTMS, maar weigerde een uitkering voor de aanpassing van de Drielandentrein die ook in België en Duitsland rijdt. Arriva maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbende, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en oordeelde dat Arriva wel belanghebbende is.
De kern van het geschil betrof de uitleg van de Tijdelijke regeling specifieke uitkering ERTMS, met name of de kosten voor buitenlandse STM’s vergoed moeten worden. De staatssecretaris stelde dat de regeling beperkt is tot materieel op het Nederlandse spoor en dat buitenlandse STM’s niet voor vergoeding in aanmerking komen. Arriva betoogde dat de regeling moet worden uitgelegd in het licht van Europese interoperabiliteitsregels en dat de kosten voor buitenlandse STM’s onderdeel zijn van de concessieverplichtingen.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom buitenlandse STM’s niet vergoed zouden worden, dat de concessie Limburg verplicht tot inzet van materieel met beveiliging voor België, Nederland en Duitsland, en dat de kosten voor ombouw van dit materieel dus vergoed moeten worden. Het besluit van 8 april 2025 werd vernietigd en de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de kosten voor buitenlandse STM’s moeten worden vergoed.