Art. 8:54 AwbArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 4 EU Handvest
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende refoulementbeoordeling en ondeugdelijke motivering
Appellant, met de Kameroense nationaliteit, kreeg bij besluit van 17 oktober 2023 van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de opdracht de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en werd een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit terugkeerbesluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de minister bij het nemen van het terugkeerbesluit onvoldoende rekening heeft gehouden met het non-refoulementbeginsel. Appellant had tijdens het gehoor verklaard dat hij in Kameroen was ontvoerd door rebellen, opgesloten zat en vreest voor zijn leven bij terugkeer. De minister heeft deze vrees niet adequaat onderzocht noch gemotiveerd in het besluit. Er is niet doorgevraagd naar onderbouwing of bewijs, waardoor het terugkeerbesluit onzorgvuldig is voorbereid.
De rechtbank heeft nagelaten ambtshalve te toetsen of een schending van het non-refoulementbeginsel aan de orde was. De Afdeling verwijst naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie en eerdere uitspraken van de Afdeling die het belang van een zorgvuldige refoulementbeoordeling benadrukken.
Gelet op deze tekortkomingen vernietigt de Afdeling het terugkeerbesluit en de uitspraak van de rechtbank. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd wegens onvoldoende refoulementbeoordeling en ondeugdelijke motivering.
Uitspraak
202404980/1/V3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 juli 2024 in zaak nr. NL23.33225 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft naar eigen zeggen de Kameroense nationaliteit. De minister heeft het terugkeerbesluit genomen, omdat appellant volgens hem geen rechtmatig verblijf heeft. Uit het terugkeerbesluit blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn dat appellant mogelijk afkomstig is uit Kameroen en dat daarnaast Singapore mogelijk de toelating van appellant waarborgt. Appellant moet volgens de minister daarom naar een van deze landen terugkeren.
Hoger beroep
2. In zijn tweede grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het nemen van het terugkeerbesluit geen zogenoemde refoulementbeoordeling hoeft te maken. Volgens appellant is dat onjuist en moet de rechtbank bovendien zelfstandig onderzoek doen naar de vraag of de minister hem naar Kameroen kan terugsturen.
2.1. Deze grief slaagt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, punten 35 en 38, volgt namelijk dat de minister op grond van artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6114, onder 5.3.
2.2. Appellant klaagt terecht dat de minister zijn vrees voor de Kameroense autoriteiten en rebellen niet heeft beoordeeld toen hij het terugkeerbesluit nam. In het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het terugkeerbesluit komt naar voren dat appellant in Kameroen is ontvoerd door rebellen, opgesloten heeft gezeten en vreest om bij terugkeer naar Kameroen te worden gedood. De minister had in deze verklaringen aanleiding moeten zien om zich ervan te vergewissen dat appellant bij terugkeer naar Kameroen geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 vanPro het EU Handvest. Ook had de minister zijn standpunt hierover deugdelijk in het terugkeerbesluit moeten motiveren. Uit het terugkeerbesluit blijkt niet dat de minister dat heeft gedaan.
In het terugkeerbesluit stelt de minister zich op het standpunt dat appellant zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met feiten en dat hij daarin vrij oppervlakkig blijft. Maar uit het hiervoor genoemde proces-verbaal blijkt niet dat de minister heeft doorgevraagd naar een nadere toelichting op of onderbouwing van de door appellant gestelde vrees voor de autoriteiten en rebellen bij terugkeer naar Kameroen. Appellant verklaart tijdens het gehoor dat hij een bedrijf in het noorden van het land had en daar getuige is geweest van, kort gezegd, handelingen van de rebellen die hij niet had mogen zien. Hij noemt dat hij een relevante code in zijn paspoort heeft en dat hij op zijn telefoon een relevant document heeft staan. Tijdens het horen is niet doorgevraagd naar zijn verhaal en ook niet naar de mogelijke bewijsmiddelen die hij noemt. De minister heeft dus niet actief concrete vragen gesteld om te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen een terugkeer naar Kameroen verzet. Ter vergelijking wijst de Afdeling op haar uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 7.2. Deze uitspraak gaat over de refoulementbeoordeling bij het opleggen van een maatregel van bewaring, maar de daarin genoemde overwegingen over een zorgvuldig onderzoek tijdens het horen van een vreemdeling gelden ook voor een gehoor voorafgaand aan een los terugkeerbesluit.
2.3. De minister heeft appellant niet zorgvuldig gehoord en als gevolg daarvan is het terugkeerbesluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Zij heeft bovendien niet onderkend dat zij op basis van concrete aanwijzingen uit de haar ter kennis gebrachte gegevens van het dossier ambtshalve moet nagaan of een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement aan de orde is die noodzaakt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 13.5 en 13.6.
2.4. De grief slaagt.
2.5. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 17 oktober 2023. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 juli 2024 in zaak nr. NL23.33225;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 17 oktober 2023, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.