ECLI:NL:RVS:2026:202
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overkomst Afghaanse bewaker onder speciale voorziening
De appellant, een Afghaanse bewaker die van 2010 tot 2012 voor de Nederlandse krijgsmacht werkte, verzocht op 25 december 2022 om overkomst naar Nederland voor zichzelf en zijn gezin. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek op 1 maart 2023 af, omdat de appellant niet in de defensiedatabase stond en het verzoek na de uiterste meldingsdatum van 11 oktober 2021 was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de minister het verzoek in redelijkheid kon afwijzen en dat de hoorplicht niet was geschonden. De appellant voerde aan dat hij zich niet eerder kon melden vanwege onderduiken en taalbarrières, en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet onder de speciale voorziening viel.
De Raad van State overwoog dat het stellen van een einddatum voor meldingen niet onevenredig is en dat de minister terecht niet hoefde te beoordelen of de appellant daadwerkelijk als bewaker had gewerkt. Ook was er geen reden om de hoorplicht te schenden, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De toezegging van de minister van Defensie om aanvragen opnieuw te beoordelen, betrof een andere regeling en kon niet worden meegenomen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot overkomst bevestigd.