ECLI:NL:RVS:2026:195
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overkomst Afghaanse bewaker onder speciale voorziening
De appellant, een Afghaanse bewaker die van 2008 tot 2010 voor de Nederlandse krijgsmacht werkte, verzocht op 2 december 2022 om overkomst naar Nederland voor zichzelf en zijn gezin. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek af omdat de appellant niet viel onder de speciale voorziening die meldingen tot uiterlijk 11 oktober 2021 omvatte.
De rechtbank oordeelde dat de minister het verzoek in redelijkheid kon afwijzen, mede omdat de appellant zich pas na de gestelde einddatum had gemeld. Ook werd geoordeeld dat de minister de hoorplicht niet had geschonden en dat de toezegging van de minister van Defensie over een andere regeling geen invloed had op deze zaak.
De appellant voerde aan dat hij zich niet eerder kon melden vanwege onderduiken en taalbarrières, en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het bezwaar ongegrond was. De Raad van State verwierp deze argumenten en bevestigde dat de minister terecht geen hoorzitting hoefde te houden, omdat het bezwaar geen ander besluit kon opleveren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om overkomst onder de speciale voorziening bevestigd.