AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Minister moet opnieuw beslissen over asielaanvraag Pakistaans gezin met statushouderstatus in Hongarije
Een Pakistaans gezin met statushouderstatus in Hongarije vroeg asiel aan in Nederland. De minister verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat Hongarije haar verplichtingen zou nakomen.
De Raad van State onderzocht de feitelijke situatie voor statushouders in Hongarije aan de hand van recente rapporten, waaronder het AIDA-rapport 2025. Hoewel de Hongaarse autoriteiten statushouders actief tegenwerken en er grote praktische obstakels zijn bij toegang tot huisvesting, werk, onderwijs en zorg, is er onvoldoende bewijs dat statushouders in het algemeen structureel niet in hun basisbehoeften kunnen voorzien.
Het gezin heeft echter bijzondere behoeften, waaronder gedragsproblemen bij hun oudste zoon, en heeft ondanks herhaalde pogingen geen adequate hulp kunnen krijgen. Daarom moet de minister nader motiveren waarom terugkeer niet leidt tot een onmenselijke situatie en de asielaanvraag opnieuw in behandeling nemen.
De uitspraak vernietigt eerdere besluiten en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De minister moet de asielaanvraag van het Pakistaanse gezin opnieuw beoordelen vanwege hun bijzondere kwetsbaarheid en het risico op een onmenselijke situatie bij terugkeer naar Hongarije.
Uitspraak
202407969/1/V2.
Datum uitspraak: 26 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 december 2024 in zaken nrs. NL24.21431 en NL24.21433 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellanten hebben daarop gereageerd.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2025, waar appellanten, bijgestaan door mr. T. Thissen, advocaat in Alphen aan den Rijn, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Wildeboer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellanten vormen een gezin uit Pakistan dat sinds 23 september 2019 de internationale beschermingsstatus heeft in Hongarije. In het vervolg van deze uitspraak zullen dergelijke personen ‘statushouders’ worden genoemd. Appellanten hebben asiel aangevraagd in Nederland, omdat zij stellen dat de situatie voor statushouders in Hongarije zo slecht is dat zij zich niet meer staande kunnen houden. De minister heeft hun aanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij al in een andere lidstaat internationale bescherming hebben (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Volgens de minister mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan worden uitgegaan dat Hongarije haar internationale verplichtingen jegens appellanten nakomt. Deze uitspraak gaat over de vraag of, gelet op de feitelijke situatie voor statushouders in Hongarije, nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Grieven en toepasselijk kader
2. Appellanten klagen in hun eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat, hoewel de situatie voor statushouders moeilijk is, er in zijn algemeenheid nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Appellanten voeren aan dat zij in de praktijk onvoldoende toegang hadden tot de arbeidsmarkt, huisvesting, onderwijs, sociale voorzieningen en gezondheidszorg, zodat zij langzaam afgleden naar een situatie van verregaande materiële deprivatie. De Hongaarse autoriteiten laten niet alleen na om statushouders hierbij ondersteuning te bieden, maar werken hen zelfs actief tegen, aldus appellanten. Hoewel er hulp beschikbaar is van ngo’s, en appellanten zijn geholpen door de Anglicaanse kerk, is dit onvoldoende gebleken om het gezin staande te houden. Appellanten betogen dat onder deze omstandigheden niet langer kan worden volgehouden dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog toepassing vindt.
2.1. In hun tweede grief klagen appellanten dat de rechtbank ten onrechte de minister heeft gevolgd in zijn standpunt dat zij niet als bijzonder kwetsbaar kunnen worden aangemerkt in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219. Appellanten voeren in dit verband aan dat zij drie jonge kinderen hebben en dat hun oudste zoon kampt met gedragsproblematiek die een zware last voor het gezin vormt. Zij betogen dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat dit erin resulteert dat beide ouders zodanig met de zorg voor hun kinderen zijn belast dat dit hen belemmert om zich zelfstandig te handhaven.
2.2. In deze uitspraak ligt in de eerste plaats de vraag voor of de omstandigheden voor statushouders in Hongarije in het algemeen zo slecht zijn dat appellanten bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 4 vanPro het EU Handvest strijdige behandeling. Uit punt 90 van het arrest Ibrahim volgt dat dit het geval is als zich tekortkomingen voordoen die structureel of fundamenteel zijn, of die bepaalde groepen mensen raken, en deze tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Die drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. In het geval dat de situatie in een lidstaat voor statushouders in het algemeen zo slecht is dat statushouders bij terugkeer naar die lidstaat een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 vanPro het EU Handvest, is niet vereist dat een statushouder bijzonder kwetsbaar is. Zie ook de Afdelingsuitspraken van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2385, onder 4 tot en met 4.3, en van 16 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2857, onder 3.1. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt mee dat het uitgangspunt is dat een lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt. Daarom is het dus aan een statushouder om aannemelijk te maken dat dit niet langer opgaat. Voor de vaststelling dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geen toepassing meer vindt, is de houding van de autoriteiten op zichzelf onvoldoende: van een breuk met het interstatelijk vertrouwensbeginsel is volgens het arrest Ibrahim pas sprake als deze houding als gevolg heeft dat statushouders buiten hun eigen wil en keuzes om in een situatie van verregaande materiële deprivatie terechtkomen. Concreet is dus de vraag of de houding van de Hongaarse autoriteiten tot gevolg heeft dat statushouders in de praktijk niet meer aan hun basisbehoeften kunnen voldoen.
2.3. De Afdeling concludeert in deze uitspraak op basis van de overgelegde informatie over de algemene situatie voor statushouders in Hongarije dat de houding van de Hongaarse autoriteiten wordt gekenmerkt door onverschilligheid naar statushouders toe en dat er ook voorbeelden zijn waarbij zij statushouders actief tegenwerken bij de effectieve toegang tot voorzieningen. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing is. Er zijn namelijk onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt. De Afdeling overweegt verder dat de verschillende moeilijkheden voor statushouders om effectief toegang tot voorzieningen te krijgen, zoals die naar voren komen uit de algemene situatie, meegenomen moeten worden in de beoordeling of een individuele statushouder in Hongarije als gevolg van zijn bijzondere kwetsbaarheid terecht zal komen in een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim. Daarom komt zij tot het oordeel dat appellanten, gelet op hun individuele omstandigheden bezien tegen de achtergrond van hun ervaringen in Hongarije, als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Hieronder zal de Afdeling eerst haar eerdere uitspraken over statushouders in Hongarije toelichten, en de reikwijdte van de vraag die in deze uitspraak voorligt (onder 3 tot en met 3.2), vervolgens ingaan op de algemene situatie voor statushouders (onder 4 tot en met 4.6), haar tussenconclusie over het interstatelijk vertrouwensbeginsel geven (onder 5 tot en met 5.4), en vervolgens motiveren hoe dit uitpakt in het specifieke geval van appellanten (onder 6 tot en met 6.3).
Geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog voor statushouders in Hongarije?
3. De Afdeling heeft in twee uitspraken van 22 april 2020 eerder uitspraak gedaan over de situatie in Hongarije voor statushouders (ECLI:NL:RVS:2020:1087 en ECLI:NL:RVS:2020:1088). In die uitspraken ging het specifiek om statushouders die als bijzonder kwetsbaar gelden als bedoeld in punt 93 van het arrest Ibrahim. In die uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat de minister, gelet op de feitelijke situatie voor bijzonder kwetsbare statushouders, nader moet motiveren waarom zij bij terugkeer naar Hongarije niet, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Anders dan in die uitspraken, ligt in de huidige uitspraak de bredere vraag voor of in algemene zin nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan als het gaat om statushouders in Hongarije. De uitspraken van 22 april 2020 en de huidige uitspraak staan verder los van de uitspraken van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3663 en ECLI:NL:RVS:2015:3664, waarin de Afdeling zich heeft uitgelaten over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Hongarije voor zogenoemde Dublinclaimanten.
3.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de Afdeling in haar uitspraken van 22 april 2020 niet bevestigd dat in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Hongarije kan worden uitgegaan. Deze vraag lag in die uitspraken namelijk niet voor. Zie beide uitspraken, onder 4. Wel heeft de Afdeling zich in de uitspraken van 22 april 2020 op basis van de toen overgelegde informatie uitgelaten over de situatie voor statushouders in Hongarije. Deze overwegingen vormen in deze uitspraak een vertrekpunt. In de eerste plaats hebben statushouders weliswaar juridisch gezien dezelfde positie als Hongaarse staatsburgers, maar is er een zeer wezenlijk verschil tussen de juridische en de feitelijke situatie. Statushouders ondervinden in de praktijk grote moeilijkheden bij de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg. De autoriteiten zijn daarbij niet welwillend gebleken om statushouders te helpen. Er is sprake van xenofobie vanuit de Hongaarse autoriteiten die verder gaat dan alleen harde retoriek: zij werken statushouders effectief tegen. Hoewel er ngo’s actief zijn, kan betwijfeld worden of deze in staat zijn om statushouders daadwerkelijk te steunen, onder meer vanwege de "Stop Soros-wetten", die erop gericht zijn de buitenlandse financiering van ngo’s tegen te gaan. De Afdeling heeft concluderend overwogen dat een statushouder in Hongarije zich in de praktijk alleen met grote moeite zal kunnen staande houden en zijn rechten zal kunnen effectueren.
3.2. Partijen hebben op verzoek van de Afdeling inlichtingen verstrekt over de actuele situatie voor statushouders, waarbij zij hun in het bijzonder heeft verzocht in te gaan op de toegang tot de voorzieningen bedoeld in Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn. Het gaat daarbij om huisvesting, toegang tot werk, onderwijs en gezondheidszorg, en om sociale en integratievoorzieningen. In hun antwoorden hebben partijen zich hoofdzakelijk gebaseerd op de rapportage van de Asylum Information Database (AIDA). Hieronder wordt de situatie voor statushouders besproken aan de hand van het meest recente AIDA-rapport (versie van mei 2025; hierna: het AIDA-rapport) en de standpunten van partijen hierover. Hoewel dit rapport dateert van na de uitspraak van de rechtbank, betrekt de Afdeling dit bij haar oordeel omwille van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling, de rechtsbescherming in algemene zin en de actualiteitswaarde van de uitspraak voor de behandeling van zaken van Hongaarse statushouders die in Nederland opnieuw asiel aanvragen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2017, onder 2.3. De Afdeling betrekt in haar bespreking ook de inhoud van andere door partijen aangevoerde bronnen. Alle bronnen staan in een overzicht die als bijlage aan deze uitspraak is gehecht. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
De algemene situatie
4. De minister heeft het standpunt ingenomen dat de situatie voor statushouders niet significant is gewijzigd sinds de uitspraken van 22 april 2020. Nog steeds ondervinden statushouders problemen met het effectueren van hun rechten, hoewel dit volgens de minister niet komt door actieve tegenwerking door de Hongaarse autoriteiten, maar door taalbarrières, een trage bureaucratie, en een onbekendheid met regelgeving bij bestuursorganen en instanties. Desondanks zijn er volgens de minister wel verbeteringen. Zo heeft hij erop gewezen dat een positieve ontwikkeling is dat er sinds 2021 weer geld wordt toegelaten van het Asiel, Migratie en Integratiefonds van de Europese Unie (AMIF). In 2018 hadden de Hongaarse autoriteiten deze geldstromen, die werden benut door ngo’s om hun projecten te financieren, stopgezet. Uit het AIDA-rapport en het AMIF-programma voor Hongarije 2021-2027 blijkt dat er sinds 2021 weer geld beschikbaar wordt gesteld voor nieuwe projecten, die onder andere zijn gericht op de integratie van statushouders. De minister heeft in dit verband ook gewezen op een concreet project dat al van start is gegaan met AMIF-geld, namelijk het ‘complexe integratieprogramma’ van de Menedék Association dat loopt vanaf het begin van 2025 tot en met het einde van 2026. De Afdeling merkt echter op dat het AMIF-programma alleen een indicatieve lijst van projecten bevat, en dat in de verschillende overgelegde bronnen een duidelijke rapportage ontbreekt van de projecten die al daadwerkelijk zijn opgestart, en welke resultaten deze hebben bereikt.
4.1.1. Ook is er volgens de minister een positieve ontwikkeling te melden over de "Stop Soros-wetten". Deze wetten omvatten een pakket aan maatregelen dat tegen asielzoekers is gericht, met als voornaamste onderdeel de strafbaarstelling van het bieden van hulp aan asielzoekers. De minister heeft erop gewezen dat de Europese Commissie in 2021 hier met succes een inbreukprocedure tegen heeft gevoerd. Zie het arrest van het Hof van 16 november 2021, ECLI:EU:C:2021:930. Hoewel het Hongaarse parlement als gevolg hiervan in 2022 de wetgeving heeft aangepast om de expliciete strafbaarstelling terug te draaien, vermeldt het AIDA-rapport (p. 80) dat de wetswijziging een nieuwe, vaag geformuleerde strafbaarstelling in het leven roept en dat deze wetswijziging volgens het Hongaarse Helsinki Committee het oordeel van het Hof onvoldoende implementeert. De Afdeling merkt daarbij op dat deze wet specifiek betrekking heeft op hulp aan asielzoekers, en daarom niet direct relevant is voor de situatie voor statushouders. Het is daarom twijfelachtig of deze door de minister aangestipte ontwikkeling daadwerkelijk op een verbetering wijst voor de situatie voor statushouders.
4.1.2. Uit het AIDA-rapport (p. 115) komt verder naar voren dat de Hongaarse autoriteiten vanaf juni 2016 alle vormen van ondersteuning bij de integratie van statushouders hebben stopgezet, en statushouders dus volledig op zichzelf zijn aangewezen voor behoeften als het verkrijgen van huisvesting, taalonderwijs, en het vinden van werk. Uit het rapport van de European Commission on Racism and Intolerance (ECRI) over Hongarije van 2022 volgt dat Hongarije geen enkele nationale strategie heeft op het gebied van integratie van migranten. De enige hulp die statushouders kunnen krijgen, is afkomstig van ngo’s en kerkelijke instellingen, zoals de minister ook heeft erkend in zijn antwoorden op de vragen van de Afdeling, maar deze hebben slechts beperkte capaciteit en kunnen niet iedereen helpen. De minister neemt hierover verder het standpunt in dat er geen aanknopingspunten zijn dat deze ngo’s niet in staat zijn om daadwerkelijke steun te bieden. De minister wijst er in dit verband op dat er slechts een zeer beperkt aantal statushouders in Hongarije is. Zo waren er in 2020 in totaal 3.302 statushouders, en werden er in 2024 in totaal slechts 29 asielaanvragen ingediend, waarvan er 14 werden ingewilligd. Anders dan de minister stelt, kan uit deze lage aantallen echter niet zonder meer worden geconcludeerd dat de beperkte capaciteit van ngo’s voldoende zou moeten zijn. Het AIDA-rapport noemt namelijk dat er sinds 2022 ook grote aantallen migranten uit Oekraïne naar Hongarije zijn gekomen, die voor een deel een beroep doen op dezelfde steun en voorzieningen als statushouders: aan het einde van 2024 waren er 39.168 personen in Hongarije die tijdelijke bescherming hadden vanwege het conflict in Oekraïne. Daarnaast meldt het rapport doorlopend dat er een gebrek aan voldoende capaciteit is bij de steun die ngo’s kunnen bieden. Een ander aandachtspunt daarbij is dat deze ngo’s voor het grootste deel zijn geconcentreerd in Boedapest. Op basis van de beschikbare bronnen is het niet mogelijk om tot een eenduidig antwoord op de vraag te komen of ngo’s in algemene zin voldoende in staat zijn om ondersteuning aan statushouders te bieden. Dit wordt hieronder nader besproken bij de toegang tot specifieke voorzieningen.
Toegang tot specifieke voorzieningen
Huisvesting
4.2. Over de toegang tot huisvesting heeft de minister het standpunt ingenomen dat, hoewel het moeilijk is om een woning voor vaste tijd te vinden, dit niet onmogelijk is, al dan niet met hulp van ngo’s of via een informeel netwerk. Hij wijst er verder op dat de Hongaarse wetgeving in een overgangsperiode voorziet van 30 dagen, waarbij asielzoekers na verkrijging van de beschermingsstatus gebruik mogen blijven maken van de asielopvang. In de asielopvang zijn maatschappelijk werkers aanwezig die statushouders kunnen helpen met het vinden van woonruimte, aldus de minister. Hij wijst ook op een lijst van partnerorganisaties op de site van de UNHCR die hierbij hulp en ondersteuning bieden. Verder wijst de minister erop dat in 2023 en 2024 honderden identiteitskaarten aan statushouders zijn verstrekt, waar als voorwaarde voor geldt dat men een adres heeft - dit zou er dus op wijzen dat statushouders in de praktijk blijkbaar erin slagen om een woonruimte te vinden. Tot slot wijst hij op informatie waaruit blijkt dat Hongarije nauwelijks sociale huisvesting kent: de problemen die statushouders op dit gebied ervaren, gelden dus in zekere mate ook voor Hongaarse staatsburgers.
4.2.1. Hoewel uit deze antwoorden van de minister kan worden afgeleid dat er voor statushouders vormen van hulp beschikbaar zijn bij het vinden van huisvesting, laat dit onverlet dat in het AIDA-rapport (p. 136-137) staat dat statushouders hier extreme moeilijkheden bij ondervinden. Volgens een van de betrokken ngo’s is het niet realistisch om te verwachten dat statushouders binnen de geboden 30 dagen in een eigen woning kunnen voorzien, waardoor men ofwel is aangewezen op de normale huizenmarkt, waar de huurprijzen doorgaans te hoog zijn voor nieuwe statushouders, ofwel op de daklozenopvang. Volgens de organisatie belast met de daklozenopvang in Boedapest zijn er lange wachtlijsten om in aanmerking te komen voor een tijdelijke slaapplek en voldoen de omstandigheden van die opvang niet aan de specifieke behoeften van statushouders. Voor gezinnen kan ook niet gegarandeerd worden dat de gezinsleden bij elkaar gehouden worden. Een ander probleem is dat, om in aanmerking te komen voor een huurwoning, verhuurders vaak vereisen dat men een adreskaart overlegt, waarvoor men dus al ingeschreven moet staan op een adres.
4.2.2. Het AIDA-rapport vermeldt verschillende kerkelijke en religieuze instellingen die hulp bieden bij het vinden van huisvesting. Deze programma’s kunnen er ofwel uit bestaan dat de instelling een woonruimte huurt voor statushouders, ofwel dat geld wordt verstrekt aan statushouders die zelf de huursom betalen. Uit de verslaggeving komt echter naar voren dat deze programma’s maar een zeer beperkt aantal mensen kunnen bedienen. Het gaat vaak ook om woningen die maar voor een aantal maanden beschikbaar zijn, en in sommige gevallen betreft de huisvesting die is geregeld een tijdelijke daklozenopvang. Van veel van de betrokken ngo’s ontbreekt ook recente verslaggeving, zodat actuele informatie over de capaciteit om statushouders te ondersteunen niet voorhanden is. Tot slot geldt dat de in het AIDA-rapport genoemde organisaties alleen in Boedapest opereren. Er staat dat bepaalde lokale overheden ervoor openstaan om de huisvestingsproblemen aan te pakken, maar dat door een gebrek aan middelen en steun er nog geen initiatieven op dit vlak zijn gerealiseerd.
Werkgelegenheid
4.3. Met betrekking tot de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt voor statushouders, benadrukt de minister dat uit het AIDA-rapport blijkt dat de situatie met betrekking tot de arbeidsmarkt voor statushouders vergelijkbaar is met eerdere jaren. Wel is er sprake van een groeiende arbeidsmarkt sinds 2021, waarbij ook de vraag naar werknemers uit derde landen is gestegen. Dit volgt inderdaad uit het AIDA-rapport (p. 138), maar daaruit volgt ook dat er blijvende problemen zijn, zoals de minister in zijn antwoorden ook heeft erkend. De banen die voor statushouders met name beschikbaar zijn, beperken zich tot fysieke arbeid en banen in de horeca- en de toerismesector. Men maakt daarbij gemiddeld 12-urige werkdagen en moet onbetaald overwerk verrichten. Het rapport vermeldt dat dit laatste aspect ook de verdere integratie van statushouders bemoeilijkt, omdat zij buiten hun werk geen tijd over hebben. Het rapport benadrukt verder dat de grootste obstakels bij toegang tot de arbeidsmarkt zijn dat statushouders veelal geen Hongaars spreken en ook maar moeizaam hun diploma’s uit het land van herkomst kunnen laten omzetten en erkennen binnen Hongarije. Hoewel statushouders net als Hongaarse staatsburgers toegang hebben tot een nationale dienst die werkzoekenden helpt, is het in de praktijk moeilijk om een Engelssprekende casemanager te vinden. De minister heeft niettemin benadrukt dat het voor statushouders mogelijk is om aan werk te komen, waarbij hij ook wijst op verschillende ngo’s en door de UNHCR vermelde partnerorganisaties die hierbij steun kunnen bieden. Het AIDA-rapport vermeldt ook hierover dat deze ngo’s alleen in Boedapest opereren. Appellanten hebben hierover nog aangevoerd dat dit tevens de duurste stad van Hongarije is, en dat, als zij dus gebruik willen maken van de diensten van deze ngo’s, zij hierdoor een extra obstakel ondervinden in de zoektocht naar huisvesting. De Afdeling merkt verder op dat het AIDA-rapport geen concrete data bevat over de hoeveelheid werkloze en werkzame statushouders, en maar weinig cijfers kan vermelden over de hoeveelheid statushouders die ngo’s bereiken met hun verschillende projecten. Het rapport vermeldt tot slot dat ook statushouders die wel werk hebben, blijven worstelen met financiële problemen.
Onderwijs en beroepsonderwijs
4.4. Uit het AIDA-rapport (p. 140-142) volgt dat, zoals bij andere voorzieningen ook het geval is, statushouders in principe hetzelfde recht op en dezelfde toegang tot onderwijs hebben als Hongaarse staatsburgers, maar dat dit in de praktijk veel obstakels kent. Een toename in negatieve opvattingen over vluchtelingen wordt als mogelijke belemmering genoemd voor scholen om kinderen toe te laten die internationale bescherming hebben, uit angst voor negatieve reacties van ouders of donoren. Vrijwel geen enkele school is toegerust om in de speciale onderwijs- en zorgbehoeften van minderjarige statushouders te voorzien, en het ontbreekt aan lesprogramma’s om kinderen de Hongaarse taal op te laten pikken en hen in het curriculum te integreren. De overheid heeft ook geen speciaal programma om kinderen van statushouders Hongaars te leren. Desalniettemin wordt in veel gevallen geen onderscheid gemaakt in wat van leerlingen wordt verwacht, of zij nu Hongaars spreken of niet. Dit leidt tot grote stress en leerachterstanden die zich steeds verder opstapelen. Leerinstellingen hebben in het algemeen ook onvoldoende capaciteiten om kinderen met bijzondere leerbehoeften te ondersteunen, zoals kinderen met autisme of een andere beperking. Deze problemen worden verergerd als de kinderen in kwestie bovendien geen Hongaars spreken. Het toelatingssysteem van het middelbare onderwijs wordt verder genoemd als probleem om de voortgang van passend onderwijs na de lagere school te waarborgen. Tot slot worden discriminatie en pesten ook als terugkerende problemen genoemd. Appellanten hebben in dit verband ook verklaard dat hun kinderen op school discriminatie ondervonden en werden gepest, en dat leerkrachten geen gehoor gaven aan hun klachten over deze problemen.
4.4.1. Ook voor volwassenen die voortgezet onderwijs willen volgen of zich willen laten omscholen, spelen de hierboven genoemde problemen met de taalbarrière en de moeite om schooldiploma’s erkend te krijgen. Hierbij kan het zelfs voorkomen dat de Hongaarse autoriteiten contact opnemen met het betreffende onderwijsinstituut in het land van herkomst, wat een risico behelst dat de statushouder in kwestie wordt blootgesteld aan de autoriteiten die zich schuldig maken aan vervolging in het land van herkomst. Hoewel er beroepsopleidingen beschikbaar zijn voor volwassenen, worden deze alleen in het Hongaars gegeven. Het AIDA-rapport meldt tot slot dat als onderdeel van de "Stop Soros-wetten" er ook een belasting van 25% wordt geheven op alle activiteiten die ‘steun’ geven aan immigratie, waar sommige opleidingsprogramma’s ook door geraakt worden.
4.4.2. Het AIDA-rapport vermeldt wel dat er zowel voor kinderen als volwassenen verschillende ngo’s actief zijn bij het ondersteunen van statushouders op het gebied van onderwijs en beroepsonderwijs, waar het accent vooral ligt op het leren van de Hongaarse taal. Sommige van die ngo’s melden dat het aantal ingeschreven statushouders laag is als gevolg van het restrictieve asielbeleid van Hongarije, en dat door onregelmatige werktijden men niet altijd in staat is om de opleidingen met succes af te ronden. Hoewel het rapport wel enige cijfers meldt van de deelname aan dit soort initiatieven, blijft in het midden of deze voldoende capaciteit hebben om de hierboven genoemde structurele problemen weg te nemen.
Gezondheidszorg
4.5. Met betrekking tot de toegang tot gezondheidszorg benadrukt de minister dat statushouders de eerste zes maanden na toekenning van de internationale beschermingsstatus dezelfde rechten op gezondheidszorg als asielzoekers behouden: dat wil zeggen dat hun ziektekosten vergoed worden door de autoriteiten. Hierdoor hebben zij een overgangsperiode om zelf een ziektekostenverzekering te regelen. Hoewel het AIDA-rapport (p. 145) vermeldt dat verzekeringsmaatschappijen dit niet altijd accepteren, begrijpt de minister deze passage zo dat dit de uitzondering is. Het rapport noemt verder als probleem dat voor het verkrijgen van een ziektekostenverzekering statushouders een Hongaarse identiteitskaart moeten overleggen. Deze zou eigenlijk twintig dagen na statusverlening moeten worden verstrekt, maar in de praktijk kan dit minstens een maand duren. Hoewel de minister hierover het standpunt inneemt dat deze wachttermijn niet onacceptabel lang is, gaat hij niet in op de passage in het rapport die vermeldt dat de aanvraag voor een ziektekostenverzekering pas ingediend kan worden nadat een statushouder zowel een identiteitskaart als een adreskaart heeft. Of dit ook concreet betekent dat statushouders pas een ziektekostenverzekering kunnen aanvragen op het moment dat zij ook huisvesting hebben geregeld, en als zodanig dus ook de genoemde problemen met het vinden van huisvesting doorwerken in de toegang tot medische zorg, is op basis van de door partijen gegeven informatie niet duidelijk. Verder noemt het rapport ook nog dat, als statushouders naar een ander EU-land vertrekken en later door die lidstaat worden teruggestuurd naar Hongarije, bij terugkeer hun ziektekostenverzekering kan zijn beëindigd. Het is op basis van het rapport echter onduidelijk of dit probleem structureel dan wel incidenteel voorkomt, en of het ook recent is voorgekomen.
4.5.1. Buiten het verkrijgen van een ziektekostenverzekering zijn er ook praktische obstakels voor statushouders om medische zorg te verkrijgen. Eén van de ngo’s omschrijft in het rapport dat toegang tot zorgverleners beperkt en wisselend is (AIDA-rapport, p.146). Zo is er een gebrek aan tolken en aan artsen die Engels spreken of bereid zijn om Engels te spreken. Alleen ngo’s kunnen hierbij hulp bieden. Hoewel de minister er terecht op wijst dat er wederom ngo’s zijn die op dit gebied hulp verlenen, en ook verwijst naar een lijst met partnerorganisaties op de website van de UNHCR, is onduidelijk of en in hoeverre deze organisaties ook echt in staat zijn om de benodigde hulp te bieden.
Sociale voorzieningen
4.6. Over de toegang tot sociale voorzieningen meldt het AIDA-rapport (p. 143) dat statushouders op dezelfde manier een uitkering kunnen aanvragen als Hongaarse staatsburgers, omdat de wet hierin geen onderscheid maakt. Problemen bestaan er vooral uit dat het aanvraagformulier in het Hongaars is opgesteld, zodat weer de tussenkomst van ngo’s nodig is om deze in te vullen, en dat de algehele bureaucratie traag werkt. Het aanvragen van sociale huisvesting is daarentegen wel voorbehouden aan personen die al langdurig verblijf hebben en is in de praktijk amper beschikbaar voor statushouders. Behalve deze obstakels meldt het rapport echter geen andere problemen met de toegang tot sociale voorzieningen. De minister heeft er verder ook nog op gewezen dat volgens de website van de UNHCR ook gemeenten niet-financiële hulp kunnen bieden, in de vorm van gratis maaltijden of schoolvoorzieningen.
Tussenconclusie
5. De Afdeling zal hieronder ingaan op de vraag of de besproken landeninformatie erop wijst dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing is ten aanzien van statushouders in Hongarije.
5.1. In de eerste plaats moet worden geconcludeerd dat de houding van de Hongaarse autoriteiten in elk geval niet bijdraagt aan de mate waarin statushouders aan hun basisbehoeften kunnen voldoen. Integendeel, de autoriteiten lijken dit actief te bemoeilijken. De Afdeling wijst hierbij op de hierboven genoemde algehele terugtrekking van elke vorm van steun en financiering ten behoeve van statushouders, waardoor deze zijn aangewezen op ngo’s om hun rechten te effectueren, en het feit dat enig beleid of een nationale strategie om integratie van statushouders te bevorderen ontbreekt. Verder wijst de Afdeling op bestaande wetten en de maatregelen die de Hongaarse autoriteiten hebben genomen om hulp en steun aan asielzoekers en statushouders actief te bemoeilijken, en het feit dat er - ook na herhaalde inbreukprocedures van de Europese Commissie - al jaren geen significante verbetering is te zien op dit gebied. Anders dan de minister stelt, kan uit het samenstel van de maatregelen en wetten die in Hongarije zijn aangenomen over immigranten, wel degelijk geconcludeerd worden dat de autoriteiten statushouders ook actief tegenwerken bij de effectuering van hun rechten. Een voorbeeld daarvan is de genoemde belastingheffing op programma’s die ten gunste van asielzoekers of statushouders komen, waarbij ngo’s dus financieel gehinderd worden om hun projecten te ontplooien. Dat er ook voorbeelden te vinden zijn van regelingen die wel ten gunste van statushouders komen, zoals de overgangsperioden die worden geboden bij het vinden van huisvesting of het regelen van een zorgverzekering, verandert onder de streep niets aan die overwegend obstructieve houding van de autoriteiten. Ook de door de minister aangedragen omstandigheid dat de effectieve toegang tot voorzieningen vaak in meer praktische obstakels is gelegen, zoals het bestaan van taalbarrières, laat onverlet dat ook dit te herleiden is tot de houding van de autoriteiten. Het is immers een keuze van de overheid om de verschillende procedures waar statushouders op aangewezen zijn om toegang tot voorzieningen te krijgen, alleen in de Hongaarse taal beschikbaar te stellen, en bovendien zijn er vanuit de overheid ook geen programma’s om statushouders Hongaars te leren.
5.2. Uit het voorgaande blijkt een actieve onwelwillendheid van de Hongaarse autoriteiten om hun internationale verplichtingen na te komen. Het is echter de vraag of deze houding ook daadwerkelijk in de praktijk leidt tot een situatie dat statushouders structureel niet in staat zijn om in hun basisbehoeften te voorzien. Uit de besproken informatie komt naar voren dat statushouders doorgaans alleen met de hulp van ngo’s in staat zijn om de verschillende obstakels bij de toegang tot voorzieningen te overwinnen. Van belang hierbij is dat de omstandigheid dat de Hongaarse autoriteiten zelf geen ondersteuning bieden aan statushouders maar dit geheel aan ngo’s overlaten, op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geen toepassing meer vindt. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, onder 6.5. De vraag of dit beginsel nog toepassing vindt, komt in praktische zin neer op een beoordeling in welke mate ngo’s daadwerkelijk in staat zijn om statushouders effectief te ondersteunen bij het verkrijgen van toegang tot voorzieningen. Zoals hierboven al is besproken, zijn er zowel indicaties dat ngo’s voldoende kunnen voorzien in de behoeften van statushouders, maar evengoed indicaties dat zij hier niet altijd en overal toe in staat zijn.
5.3. Uit de voorgaande bespreking volgt dat de algemene situatie voor statushouders zorgwekkend is. Het is daarbij verontrustend dat de Hongaarse autoriteiten op verschillende vlakken in negatieve zin bijdragen aan deze situatie. Dit laat echter onverlet dat de "bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid" om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan pas is bereikt als statushouders structureel buiten hun wil om in onmenselijke situaties terechtkomen. De Afdeling is van oordeel dat, ondanks de verschillende aanzienlijke problemen die hiervoor aan bod zijn gekomen, de beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat die drempel is bereikt. Het AIDA-rapport schetst weliswaar verschillende structurele tekortkomingen in de toegang tot voorzieningen, maar buiten incidentele meldingen van statushouders die problemen ondervonden met deze toegang, worden er geen voorbeelden genoemd van situaties die er evident op wijzen dat statushouders structureel in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. Hoewel de minister er ook niet in is geslaagd om overtuigend te schetsen dat in de praktijk statushouders wel in hun basisbehoeften kunnen voorzien, heeft hij terecht gewezen op verschillende projecten, initiatieven en ngo’s die hen daarbij kunnen helpen, waarbij voor de mogelijkheden van hulp door ngo’s niet zonder betekenis is dat er in Hongarije in absolute zin niet veel statushouders zijn. Ook lijken er - hoewel daar op dit gebied nog weinig van is gerealiseerd - in de toekomst meer projecten en vormen van ondersteuning ten behoeve van statushouders mogelijk te worden, nu financiering vanuit het AMIF weer wordt toegelaten. De hierboven geschetste onduidelijkheid over de daadwerkelijke capaciteit van deze ngo’s om statushouders bij te staan, is bij gebrek aan concrete indicaties dat deze capaciteit structureel tekortschiet, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
5.4. De slotsom is dus dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister, ondanks de moeilijkheden voor statushouders in Hongarije, in algemene zin nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het uitgangspunt blijft daarmee dat statushouders in Hongarije, hoewel dit met grote moeite gepaard zal gaan, zich zelfstandig staande zullen kunnen houden en hun rechten kunnen effectueren. Dit betekent echter niet dat deze moeilijkheden zonder betekenis zijn in de beoordeling of een individuele statushouder bij terugkeer naar Hongarije terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 4 vanPro het EU Handvest, zoals hieronder nader aan bod zal komen.
5.5. De eerste grief slaagt niet.
Gelden appellanten als bijzonder kwetsbaar?
6. In beroep hebben appellanten het dossier van GezondheidsZorg Asielzoekers (GZA) van hun oudste zoon overgelegd. Daarin staat dat de oudste zoon slaapproblemen en nachtmerries heeft en zich agressief gedraagt op school en binnen het gezin. Dat de oudste zoon significante onbehandelde problemen heeft, wordt onderschreven in de door appellanten overgelegde brief van de Anglicaanse Kerk, waarin wordt gesproken over mogelijke ontwikkelingsproblematiek. In het dossier staat verder een verzoek van GZA om Careforward in te schakelen om de situatie van het gezin te observeren en te bezien welke zorg de oudste zoon nodig heeft. Echter is niet gebleken dat er nadien sprake is geweest van medische diagnostisering of een aanvang is gemaakt met een behandeling van de problemen van de oudste zoon. De precieze aard en ernst van deze problemen blijft daarmee onduidelijk. Appellanten hebben ook in hoger beroep hierover onvoldoende duidelijkheid kunnen bieden. Daarom kunnen zij niet gevolgd worden in hun standpunt dat zij alleen al op basis van de medische situatie van de oudste zoon als bijzonder kwetsbaar gelden. De Afdeling overweegt echter dat appellanten, gelet op hun persoonlijke situatie en ervaringen in Hongarije, niettemin aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gezin met jonge kinderen, van wie één kind bijzondere zorg nodig heeft, als bijzonder kwetsbaar gelden. Doorslaggevend hiervoor is dat, hoewel de precieze aard van de medische klachten van hun oudste zoon nog onduidelijk is, uit de stukken wel blijkt dat hij kampt met voor het gezin en hemzelf uitdagende en impactvolle gedragsproblematiek. Ook is voldoende duidelijk dat appellanten ten minste behoefte hebben aan een vaste woonplek en toegang tot (medische) hulpverlening, en mogelijk ook speciale scholing voor hun zoon, om in Hongarije een bestaan te kunnen opbouwen. Uit de ervaringen van appellanten komt naar voren dat zij gedurende vier jaar tijd in Hongarije ondanks herhaaldelijke pogingen en tussenkomst van ngo’s, geen effectieve toegang tot deze voorzieningen hebben weten te verkrijgen. Bezien in het licht van de algemene situatie voor statushouders zoals hiervoor besproken, hebben zij aannemelijk gemaakt dat het voor hen effectief niet mogelijk is gebleken om zich in Hongarije zelfstandig staande te houden.
6.1. Zo hebben appellanten met hulp van de kerk een aantal keer een woning kunnen krijgen, maar deze woningen waren steeds slechts tijdelijk beschikbaar, zodat het gezin doorlopend heeft moeten verhuizen. Op enig moment zijn zij ook op straat gezet, waardoor zij - opnieuw met hulp van de kerk - terecht zijn gekomen bij de daklozenopvang. De Afdeling wijst in dit verband op de onder 4.2.1 besproken passage uit het AIDA-rapport waaruit volgt dat deze opvang ongeschikt is voor statushouders en met name voor gezinnen. Verder wijst de Afdeling op de onder 4.5 besproken onduidelijkheid over de vraag of statushouders bij gebrek aan een vast woonadres wel in aanmerking kunnen komen voor een zorgverzekering. Appellanten hebben hiernaast verklaard dat zij herhaaldelijk pogingen bij verschillende dokters hebben gedaan om specialistische zorg te krijgen voor de gedragsproblematiek van hun oudste zoon. Het lukte echter niet om daar een afspraak voor te maken, ook niet met tussenkomst van de kerk. De steunbrief van de Anglicaanse Kerk die appellanten hebben overgelegd, bevestigt dat zij herhaaldelijk een beroep hebben gedaan op de kerk om in aanmerking te komen voor basisbehoeften zoals voedsel, onderdak en medische zorg. Appellanten hebben verklaard ook nog vier ngo’s te hebben benaderd om passende zorg te vinden voor hun zoon, maar dat dit ook tot niets heeft geleid. Deze ervaringen passen binnen het beeld dat in het AIDA-rapport wordt geschetst over de toegang tot medische zorg.
6.2. De minister heeft aan appellanten tegengeworpen dat zij wel enige medische zorg hebben gekregen, toen de moeder van het gezin in Hongarije van de jongste zoon is bevallen. Appellanten hebben echter ook hierover verklaard dat zij alleen met tussenkomst van de plaatselijke pastoors van de kerk afspraken konden maken voor medische controles tijdens de zwangerschap. Dit doet dus niet af aan het beeld dat appellanten alleen met grote moeite toegang hebben gekregen tot basale zorgverlening en dat er een zeer reële kans bestaat dat zij de voor hun oudste zoon benodigde zorg opnieuw niet zullen kunnen krijgen. De minister heeft in dit verband ook niet kunnen volstaan met de tegenwerping dat appellanten hun beklag moesten doen bij de Hongaarse autoriteiten. Gelet op de hiervoor uitvoerig besproken voorbeelden van actieve tegenwerking door deze autoriteiten en de algehele uitbesteding van ondersteuning aan ngo’s, die in het geval van appellanten ontoereikend is gebleken, alsmede het gebrek aan procedures in een voor appellanten begrijpelijke taal of een beschikbare tolk, is niet duidelijk wat de minister in dit verband concreet van appellanten verwacht; noch is op voorhand aannemelijk dat dit effect zal sorteren.
6.3. Samenvattend hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat het in hun geval niet mogelijk is gebleken om zich zelfstandig staande te houden en hun rechten te effectueren als statushouders in Hongarije. Zij moeten als bijzonder kwetsbaar worden aangemerkt als bedoeld in het arrest Ibrahim, gelet op hun omstandigheden, en de moeilijkheden die zij hebben ervaren bij de toegang tot basale voorzieningen. Mede gelet op wat de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraken van 22 april 2020, moet de minister nader motiveren waarom appellanten, door hun bijzondere kwetsbaarheid, buiten hun eigen wil en keuzes om, bij terugkeer naar Hongarije niet zullen terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie.
6.4. De tweede grief slaagt.
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de besluiten van 17 mei 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 december 2024 in zaken nrs. NL24.21431 en NL24.21433;
III. verklaart de beroepen gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van 17 mei 2024, [...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026
936
BIJLAGE
1. Rapport van Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Hungary (2024 Update); mei 2025
2. Rapport van European Commission against Racism and Intolerance (ECRI), ‘ECRI Report on Hungary’, 9 maart 2023
3. Rapport van Asylum, Migration and Integration Fund (AMIF), ‘AMIF Programme of Hungary 2021-2027’
4. Website UNCHR, ‘UNHCR Help: Hungary’
5. (https://help.unhcr.org/hungary)
6. Website Menedék Hungarian Association for Migrants, ‘Complex support for the social integration of third-country nationals’ (https://menedek.hu/en/projects/complex-support-social-integration-third-country-nationals)
7. Rapport van AccessIN, ‘Social Inclusion and Access to Basic Services of Third-Country Nationals - Country Report for Hungary’, 11 december 2023
8. Rapport van AccessIN, ‘Hungary: Q&A Brochure 2024’
9. Website van Hongaarse Helsinki Committee, ‘Get help: refugee and migrant rights’ (https://helsinki.hu/en/howcanwehelp/refugee-and-migrant-rights)
10. Rapport van Menedék Hungarian Association for Migrants, ‘NIEM Policy Briefs: Policy analysis and proposal for the improvement of the housing of beneficiaries of international protection in Hungary’, 2021
11. Website van Budapest Methodological Centre of Social Policy and Its Institutions (BMSZKI), ‘EU Projects’ (https://www.bmszki.hu/en/eu-projects).