BRS.25.000840
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 juli 2025 in zaken nrs. NL24.52266 en NL24.51467 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Bij brief van 24 december 2024 heeft de minister betrokkene in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (hierna: het verlengingsbesluit).
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank de door betrokkene tegen het besluit van 23 december 2024 en het verlengingsbesluit van 24 december 2024 ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft de termijn voor overdracht van betrokkene aan Polen met twaalf maanden verlengd, omdat betrokkene zich meerdere keren niet aan de meldplicht heeft gehouden.
Het hoger beroep van de minister
2. In de eerste en tweede grief klaagt de minister terecht over het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en de minister daarom de overdrachtstermijn niet zou mogen verlengen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, onder 6 en 7, heeft overwogen, is sprake van onderduiken als een vreemdeling er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze te voorkomen. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 70. 2.1. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene de verblijfslocatie bij het COa heeft verlaten. Ook zijn partijen het erover eens dat betrokkene op de hoogte was van zijn verplichtingen, onder andere via het M35-H-formulier en de vertrekgesprekken met de Dienst Terugkeer & Vertrek.
2.2. Hoewel betrokkene met de e-mail van 21 december 2024 het COa op de hoogte heeft gebracht van zijn afwezigheid en het adres waar hij verblijft, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geen sprake zou zijn van onderduiken. De minister heeft daarover terecht aangevoerd dat alleen het doorgeven van een ander verblijfadres geen zekerheid biedt voor het daadwerkelijk beschikbaar zijn voor het kunnen uitvoeren van de overdracht. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat het COa op 22 december 2024 op de e-mail van betrokkene heeft gereageerd en hem erop heeft gewezen dat hij op het azc moet verblijven. Ook heeft het COa erop gewezen dat hij zich iedere dag moet melden en dat hij anders wordt uitgeschreven. Desondanks heeft betrokkene vervolgens meerdere meldplichten gemist, zo volgt uit het overzicht van het COa. Gelet op deze omstandigheden moet aangenomen worden dat betrokkene er doelbewust voor heeft gezorgd dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze overdracht te voorkomen.
2.3. Verder klaagt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel heeft betrokken dat de overdracht alsnog door had kunnen gaan en dat het niet vaststaat dat betrokkene op de hoogte was van de geplande overdracht. De minister mocht ervan uitgaan dat uitvoering van de overdracht werd voorkomen, omdat betrokkene niet meer op het azc verbleef en meerdere meldplichten had gemist. Dat betrokkene niet op de hoogte is gesteld van een overdracht betekent niet dat geen sprake kan zijn van onderduiken. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4969, onder 1. 2.4. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de overdrachtstermijn onder deze omstandigheden rechtmatig heeft verlengd. De grieven slagen.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
3. Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroepen
4. Het hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart de Afdeling de beroepen alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 juli 2025 in zaken nrs. NL24.52266 en NL24.51467;
IV. verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
872-1122