202405555/1/V1.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 augustus 2024 in zaak nr. 24/9541 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2024 heeft het COa bepaald dat het appellant overplaatst naar een opvangvoorziening voor meerderjarigen.
Bij uitspraak van 5 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C. Mayne, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het COa heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft op 24 februari 2024 bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en verklaard dat zijn geboortedatum [geboortedatum A] 2007 is. Het COa heeft hem daarom in een opvanglocatie voor minderjarigen geplaatst.
1.1. De minister heeft onderzoek gedaan in het Eurodac-systeem. Daaruit is hem gebleken dat appellant in Griekenland geregistreerd staat als meerderjarige. Als gevolg hiervan heeft de minister de geboortedatum van appellant in Nederland aangepast naar [geboortedatum B] 2006.
1.2. Omdat de minister de leeftijd van appellant heeft aangepast naar meerderjarig, heeft het COa appellant op 5 juni 2024 overgeplaatst naar een meerderjarigenopvang.
Bespreking van de grief
2. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het COa verantwoordelijk is voor de opvangbehoeften en niet voor de leeftijdsbepaling van een vreemdeling. Leeftijdsbepaling is voorbehouden aan de minister. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5822, onder 2.2. De rechtbank is daarom ten onrechte ingegaan op de bewijswaarde van het individuele uittreksel en de geboorteverklaring uit Syrië die appellant heeft overgelegd. 2.1. In beginsel mag het COa uitgaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren brengt, waaruit volgt dat er reden bestaat voor twijfel aan de leeftijdsbepaling door de minister. In dat geval moet het COa navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van een vreemdeling. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, onder 6.1, en 10 december 2025, onder 2.2 tot en met 5.2. 2.2. Appellant heeft op 18 mei 2024 bij het COa naar voren gebracht dat het COa de overplaatsing heeft gebaseerd op een onjuiste leeftijdsbepaling door de minister. Appellant heeft gewezen op de bij de schouwen van de IND en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel gerezen twijfel over zijn leeftijd en zijn verklaringen over het leeftijdsregistratieproces in Griekenland. Ook heeft appellant gewezen op de stukken uit Syrië die hij heeft overgelegd. Het COa heeft vervolgens navraag gedaan bij de minister. Het COa heeft een ongedateerde memo van de minister ontvangen en naar aanleiding daarvan in het besluit een eigen standpunt gevormd over de opvangbehoeften van appellant.
2.3. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het COa dat deugdelijk gemotiveerd heeft gedaan. Het COa heeft in dat besluit in aanmerking genomen dat appellant naar voren heeft gebracht dat hij bij aankomst in Griekenland een andere geboortedatum heeft opgegeven om te voorkomen dat hij terecht zou komen in een minderjarigenopvang en dat de leeftijdsregistratie in Griekenland dus niet is gebaseerd op documenten. Naar aanleiding van deze informatie heeft het COa geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de leeftijdsbepaling door de minister, terwijl uit de memo van de minister niet blijkt of en hoe de minister de verklaringen van appellant over het leeftijdsregistratieproces in Griekenland heeft betrokken bij de leeftijdsbepaling. De rechtbank heeft niet onderkend dat het COa hiernaar eerst nader onderzoek had moeten doen bij de minister, voordat het hierover een eigen standpunt mocht innemen.
2.4. Ook heeft het COa in het besluit gewezen op het standpunt van de minister dat appellant geen identificerende documenten heeft overgelegd. De rechtbank heeft niet onderkend dat het COa hiernaar, achteraf bezien, nader onderzoek had moeten doen bij de minister en dus had moeten twijfelen aan de leeftijdsbepaling door de minister. Het COa had zich, achteraf bezien, moeten realiseren dat dat standpunt van de minister inmiddels achterhaald is, omdat de Afdeling in haar uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, heeft overwogen dat de minister bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn, steeds alle feiten en omstandigheden moet meewegen. 2.5. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 27 mei 2024.
Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. Op basis van zowel de geboortedatum die appellant heeft gesteld als de geboortedatum waarvan het COa is uitgegaan, is appellant inmiddels namelijk meerderjarig. De uitkomst van het geschil als het COa een nieuw besluit zou nemen, zou daarom geen andere zijn dan die van het vernietigde besluit, waaruit volgt dat appellant in een meerderjarigenopvang moet verblijven. Het COa moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 augustus 2024 in zaak nr. 24/9541;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 27 mei 2024, V-[…];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
VI. veroordeelt het COa tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
941-1046