ECLI:NL:RVS:2026:121

Raad van State

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
202503722/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag met proceskostenvergoeding

Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie aanvankelijk niet in behandeling werd genomen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Na het instellen van het hoger beroep heeft de minister de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen, waardoor het belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep is komen te vervallen. De Afdeling verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.

De Afdeling overweegt dat de minister door het alsnog in behandeling nemen van de aanvraag aan appellant is tegemoetgekomen en dat dit aanleiding geeft om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die appellant heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €1868,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1868,00.

Uitspraak

202503722/1/V3.
Datum uitspraak: 12 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 juni 2025 in zaak nr. NL25.22507 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 23 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.L. Saija, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld in deze zaak, heeft de minister zijn asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. De vreemdeling heeft onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, omdat hij heeft bereikt wat hij met zijn hoger beroep beoogt doordat de minister zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.       Wel moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als zij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door haar toedoen is vervallen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1.
4.       Uit de brief van de minister van 20 augustus 2025 blijkt dat de overdrachtstermijn op 10 augustus 2025 is verstreken. De minister stelt dat zij de asielaanvraag om die reden in behandeling heeft genomen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305, waarin zij heeft overwogen dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België mag worden uitgegaan. Dit betekent dat de minister geen asielzoekers mag overdragen aan België. De Afdeling is daarom van oordeel dat de minister ook hierom en niet enkel als gevolg van tijdsverloop verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de aanvraag. Dit betekent dat de minister aan appellant is tegemoetgekomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in dit geval in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026
981