202504861/1/V2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 augustus 2025 in zaak nr. NL24.43797 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft voorafgaand aan haar asielaanvraag een geprivilegieerde status in Nederland gehad als huishoudelijk personeel van een Nigeriaans ambassadeursechtpaar. Het ambassadeursechtpaar is inmiddels teruggekeerd naar Nigeria. Appellant heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor vervolging bij terugkeer, omdat er wordt gedreigd om haar lesbische geaardheid bekend te maken. De minister heeft zowel de lesbische geaardheid als de gestelde bedreigingen niet geloofwaardig geacht.
Is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
2. De eerste en tweede grief zijn onder meer gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van appellant. Appellant betoogt dat uit het besluit niet blijkt dat de minister kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken dat zij afkomstig is uit een klein dorp met een strenge geloofsgemeenschap en dat zij gezagsgetrouw is opgevoed. Appellant betoogt ook dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat zij voor het eerst over haar geaardheid heeft gesproken en dat zij getraumatiseerd is, waardoor zij het moeilijk vond om daarover te verklaren. Dit heeft de rechtbank volgens appellant niet onderkend.
2.1. In onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073, onder 1.1, staat dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van een vreemdeling. Dat blijkt ook uit werkinstructie 2019/17, waarin staat dat de minister rekening moet houden met het referentiekader tijdens het gehoor en de geloofwaardigheidsbeoordeling van een gestelde seksuele geaardheid als asielmotief. 2.2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat van appellant mocht worden verwacht dat zij, in haar eigen bewoordingen, inzicht kan geven in haar persoonlijke beleving en gedachtegang, omdat zij hoogopgeleid is en meerdere keren in de gelegenheid is gesteld om over haar geaardheid te verklaren. Appellant betoogt terecht dat de minister hiermee niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij bij de geloofwaardigheidsbeoordeling in het besluit rekening heeft gehouden met de volledige persoonlijke en culturele achtergrond van appellant. De minister heeft namelijk niet toegelicht wat het voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas betekent dat appellant afkomstig is uit een klein dorp in Nigeria, dat zij gevoelens van schaamte ervoer en voor het eerst over haar geaardheid sprak. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622, onder 3.2. De rechtbank heeft dit onvoldoende onderkend door alleen te overwegen dat toch van appellant mocht worden verwacht dat zij persoonlijke verklaringen over haar geaardheid kan afleggen, omdat dit de reden betreft waarom appellant Nigeria heeft verlaten. Daarbij merkt de Afdeling bovendien op dat de rechtbank hiermee ook niet heeft onderkend dat appellant Nigeria niet heeft verlaten wegens haar lesbische geaardheid, maar wegens haar baan als huishoudelijke hulp voor het ambassadeursechtpaar. 2.3. De grieven slagen alleen al hierom.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 4 november 2024. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet daarbij inzichtelijk maken hoe hij rekening houdt met het referentiekader van appellant en wat dat betekent voor de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid en de gestelde bedreigingen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 augustus 2025 in zaak nr. NL24.43797;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 4 november 2024, V-289.149.7627;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
986