Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1005

Raad van State

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.001289
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 94, zesde lid, Vw 2000Art. 28, eerste lid, Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 8, tweede en derde lid Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks schending inspanningsverplichting voorafgaand aan detentie

De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 25 augustus 2025 in vreemdelingenbewaring. Betrokkene was voorafgaand daaraan 90 dagen strafrechtelijk gedetineerd geweest, waarbij de minister geen inspanningen had verricht om het vertrek voor te bereiden. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de minister de inspanningsverplichting had geschonden en achtte de bewaring onrechtmatig zonder belangenafweging.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve de inspanningsverplichting in het voortraject had getoetst, omdat deze niet tot de voorwaarden voor rechtmatige bewaring behoort. De bewaring is pas onrechtmatig als na een belangenafweging blijkt dat de belangen van betrokkene zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek.

Verder wees de Afdeling de overige beroepsgronden van betrokkene af, waaronder het betoog over het ontbreken van een beëdigde tolk. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.25.001289
Datum uitspraak: 26 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 september 2025 in zaak nr. NL25.40431 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Betrokkene is voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring 90 dagen strafrechtelijk gedetineerd geweest en tijdens die detentie heeft de minister geen inspanningen verricht ten aanzien van het voorbereiden van het vertrek. Zijn beroepsgrond over de schending door de minister van de inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie heeft betrokkene op de zitting bij de rechtbank ingetrokken. Vervolgens heeft de rechtbank die inspanningsverplichting ambtshalve getoetst, geoordeeld dat de minister deze verplichting heeft geschonden en de bewaring van aanvang af onrechtmatig geacht, zonder eerst een belangenafweging te maken.
1.1.        Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht de inspanningsverplichting van de minister tijdens het voortraject ambtshalve heeft getoetst.
Het oordeel van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft overwogen dat het fundamentele karakter van het recht op vrijheid vereist dat de bewaringsrechter alle aspecten van de bewaringsmaatregel die de rechtmatigheid betreffen, zo nodig ambtshalve moet toetsen en moet betrekken bij haar uitspraak. De bewaringsrechter moet daarom naar het oordeel van de rechtbank ook gebreken in het voortraject ambtshalve toetsen. Dat bij gebreken in het voortraject eerst een belangenafweging moet worden gemaakt, acht de rechtbank niet relevant. Als het gaat om de reikwijdte van de ambtshalve toets bestaat er namelijk geen enkele rechtvaardiging voor het maken van onderscheid tussen gebreken in het voortraject en gebreken bij en na oplegging van de maatregel, aldus de rechtbank. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het verrichten van een belangenafweging in deze procedure niet aan de orde is, omdat er geen sprake is van een voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering en de bewaring daarom niet zo kort mogelijk heeft geduurd. Om die reden is de maatregel naar het oordeel van de rechtbank van aanvang af onrechtmatig.
De grieven van de minister
3.        De minister klaagt in haar grieven over dit oordeel. Ze voert in haar eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inspanningsverplichting in het voortraject een aspect van de bewaring is dat ze, los van daarover door betrokkene aangevoerde gronden, ambtshalve moet toetsen. Volgens de minister volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, en de uitleg die de Afdeling hieraan gegeven heeft in de uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, dat de ambtshalve toets alleen ziet op aspecten van de bewaringsmaatregel zelf en het voortduren daarvan. De uitzettingshandelingen tijdens het voortraject hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de maatregel zelf. Verder betoogt de minister dat een schending van de inspanningsverplichting de bewaring pas onrechtmatig maakt als de bewaringsrechter vaststelt dat de belangenafweging in het voordeel van de betrokkene moet uitvallen en dat de rechtbank ten onrechte niet een belangenafweging heeft verricht.
Beoordeling van de grieven
3.1.        De minister betoogt in de eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij ambtshalve moet toetsen of de minister aan haar inspanningsverplichtingen heeft voldaan in het voortraject. De Afdeling licht dit hierna toe.
3.2.        Vooropgesteld wordt dat de periode die betrokkene in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht, niet kan worden beschouwd als vreemdelingenbewaring krachtens artikel 59 van Pro de Vw 2000. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548, onder 2.3. Vreemdelingenbewaring heeft alleen tot doel om de terugkeerprocedure te waarborgen en is niet bedoeld als straf. Vergelijk het arrest van het Hof van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punt 50.
3.3.        Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat er bij de toepassing van de ambtshalve toets juridisch gezien wel een rechtvaardiging bestaat voor het maken van onderscheid tussen gebreken in het voortraject en gebreken bij de Unierechtelijke en nationale voorwaarden voor bewaring.
3.4.        Zoals het Hof heeft overwogen in het arrest C, B en X, punt 75, mag vreemdelingenbewaring alleen worden bevolen of verlengd met inachtneming van algemene en abstracte regels waarin de voorwaarden en de wijze van toepassing ervan zijn vastgelegd. Deze algemene en abstracte regels die met gemeenschappelijke Unienormen de voorwaarden voor een rechtmatige bewaring vastleggen, zijn neergelegd in artikel 8, tweede en derde lid, en artikel 9, eerste, tweede en vierde lid, van de Opvangrichtlijn en in artikel 28, tweede, derde en vierde lid, van de Dublinverordening (punt 76). Om de daadwerkelijke naleving van deze voorwaarden te verzekeren, moet de bewaringsrechter kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring te beoordelen (punt 87). Uit dit arrest volgt dat de bewaringsrechter gehouden is om aan deze voorwaarden voor een rechtmatige bewaring ambtshalve te toetsen, ook als daarover geen beroepsgrond is aangevoerd.
3.5.        Naast de Unierechtelijke voorwaarden voor bewaring zijn er ook nationaalrechtelijke voorwaarden voor bewaring die tot de conclusie leiden dat de bewaring onrechtmatig is als er niet aan wordt voldaan. Naar het oordeel van de Afdeling is de ambtshalve toets ook van toepassing op dergelijke nationaalrechtelijke voorwaarden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, onder 6.1.
3.6.        Als niet wordt voldaan aan de Unierechtelijke en nationaalrechtelijke voorwaarden voor bewaring, is de bewaring al daarom onrechtmatig. Dit is anders bij voorwaarden zoals de inspanningsverplichting van de minister tijdens een voorafgaande strafrechtelijke detentie en de verschillende handelingen tijdens het vreemdelingenrechtelijke traject voorafgaand aan de inbewaringstelling. Dit zijn namelijk geen voorwaarden voor een rechtmatige bewaring. Als aan deze voorwaarden niet is voldaan, dan leidt dat niet tot de conclusie dat de bewaring alleen daarom al onrechtmatig is. Er is dan nog ruimte voor een belangenafweging. Dit volgt uit artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000. Het handelen van de minister in strijd met de inspanningsverplichting tijdens een voorafgaande strafrechtelijke detentie maakt de bewaring daarom pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2631, onder 1.
3.7.        Omdat het niet voldoen aan de inspanningsverplichting tijdens een voorafgaande strafrechtelijke detentie niet alleen daarom al de bewaring onrechtmatig maakt, is dit geen voorwaarde die van openbare orde is en waaraan de rechter ambtshalve moet toetsen. De minister betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve aan de inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie heeft getoetst.
3.8.        De eerste grief slaagt. De tweede grief van de minister, over de belangenafweging, behoeft daarom geen bespreking meer.
De conclusie van het hoger beroep
4.        De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
Lichter middel
5.        Betrokkene betoogt dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, omdat hij wil terugkeren naar Nigeria en zich hiertegenover welwillend opstelt.
5.1.        Betrokkene heeft de zware gronden 3a, 3b en 3c en de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d niet gemotiveerd bestreden. Deze gronden zijn terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Gelet op het onttrekkingsrisico dat in beginsel uit de toelichting bij deze gronden volgt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet kon volstaan. Zoals volgt uit de toelichting bij de gronden is betrokkene namelijk twee keer eerder met onbekende bestemming vertrokken, is hij niet verschenen bij een afspraak bij de IND, heeft hij geen gevolg gegeven aan de verplichting om te vertrekken, heeft hij niet voldoende geld om zijn reis te bekostigen en heeft hij geen geldig reisdocument. Deze omstandigheden en gedragingen doen afbreuk aan de gestelde bereidheid om zelfstandig te vertrekken. Deze beroepsgrond faalt.
Geen gebruik gemaakt van een beëdigde tolk
6.        Betrokkene betoogt dat geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk en dat het gehoor heeft plaatsgevonden in de Engelse taal met alleen de verbalisant.
6.1.        Zoals de Afdeling in de uitspraak van 26 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4064, onder 9.1, heeft overwogen, volgt uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de Koninklijke Marechaussee verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht.
Het proces-verbaal van gehoor van 25 augustus 2025 vermeldt dat de vreemdeling en de verbalisant beiden het Engels voldoende machtig waren. In beginsel kan van de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal, dat op ambtseed dan wel ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend, worden uitgegaan. Daarom hoefde er niet noodzakelijkerwijs gebruik te worden gemaakt van een tolk bij het gehoor. De beroepsgrond faalt.
De conclusie van het beroep
7.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. De Afdeling wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
Roermond, van 5 september 2025 in zaak nr. NL25.40431;
III.        verklaart het beroep ongegrond;
IV.        wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en
mr J. Schipper-Spanninga en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026
1058