ECLI:NL:RVS:2025:6000
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering optieverklaring wegens evenredigheid verlies Nederlanderschap en Unieburgerschap
Appellant, in Nederland geboren en sinds 2008 woonachtig in Australië, verloor in 2001 door naturalisatie de Australische nationaliteit en daarmee het Nederlanderschap en Unieburgerschap. Hij diende een optieverklaring in om het Nederlanderschap te herkrijgen, maar de minister weigerde dit op grond van een evenredigheidsbeoordeling volgens het Unierecht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Hij voerde aan dat de rechtbank een onjuiste toets hanteerde en dat hij wel degelijk gebruik maakte van zijn Unierechten, onder meer door werk en familiebezoek in de EU, bezit van een woning en andere banden met Nederland.
De Raad van State oordeelt echter dat appellant met zijn Australische paspoort voldoende mogelijkheden had om in de EU te reizen en dat er geen bijzondere moeilijkheden zijn aangetoond die het verlies van het Unieburgerschap onevenredig maken. Ook het beroep op artikel 21 VWEU Pro faalt omdat niet is gebleken dat zijn familieleden derdelander zijn.
De Afdeling bevestigt het besluit van de minister en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de optieverklaring omdat het verlies van het Nederlanderschap en Unieburgerschap niet onevenredig is.