ECLI:NL:RVS:2025:5543

Raad van State

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
202501164/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 inzake beslistermijnen voor asielaanvragen

In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 17 november 2025, wordt de uitleg en toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) behandeld. De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van betrokkene, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd, gegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn van zes maanden aanvangt op de datum van de zogenoemde loopbrief, die aan betrokkene werd afgegeven op 27 november 2023. De minister betoogde echter dat de beslistermijn pas aanvangt op het moment dat de asielaanvraag formeel is ingediend met het formulier model M35-H. De Afdeling oordeelt dat de beslistermijn inderdaad aanvangt op het moment dat de asielwens door de vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten wordt geuit, wat doorgaans wordt bewezen door de loopbrief. De minister kan de termijn opschorten tot de ondertekening van het formulier model M35-H. In deze zaak werd vastgesteld dat de beslistermijn opnieuw begon te lopen op 14 december 2023, de datum waarop betrokkene het formulier ondertekende. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk, omdat de minister niet in gebreke was gesteld binnen de juiste termijn.

Uitspraak

202501164/1/V2.
Datum uitspraak: 17 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.25324 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister binnen zestien weken na de datum van de uitspraak een besluit neemt op de aanvraag van betrokkene. De minister verbeurt hierbij een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat zij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Betrokkene heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Waar gaat deze uitspraak over?
1.       Deze uitspraak gaat over de uitleg en toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin staat dat de minister binnen zes maanden na de ontvangst van een asielaanvraag een besluit moet nemen. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de asielaanvraag volgens die bepaling is ontvangen en wanneer de beslistermijn dus aanvangt. Betrokkene stelt dat moet worden uitgegaan van het moment waarop hij zich in persoon heeft gemeld bij de autoriteiten. Daarom moet volgens betrokkene worden uitgegaan van de datum van de zogenoemde loopbrief. Dit is een brief die een vreemdeling van de minister ontvangt op het moment dat die vreemdeling zich voor het eerst heeft gemeld bij een aanmeldcentrum van de IND. De minister stelt daarentegen dat moet worden uitgegaan van het moment waarop een vreemdeling zijn asielaanvraag formeel heeft ingediend met het formulier model M35-H.
1.1.    Deze uitspraak gaat dus over de vraag wanneer de beslistermijn aanvangt. Het antwoord op die vraag is relevant voor het oordeel of, en op welk moment, de minister die termijn heeft overschreden. In zaken zoals deze, waarin het gaat om een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, moet de bestuursrechter dit toetsen.
1.2.    De Afdeling oordeelt in deze uitspraak dat de beslistermijn aanvangt met de eerste uiting van de asielwens tegenover de Nederlandse autoriteiten, waarvan doorgaans de loopbrief het bewijs vormt. De termijn kan vervolgens meteen door een mededeling van de minister worden opgeschort tot het moment waarop een vreemdeling het formulier model M35-H indient. De termijn begint dan weer door te lopen. De Afdeling licht dit oordeel hierna toe.
1.3.    De Afdeling vat eerst de uitspraak van de rechtbank en het hoger beroep van de minister samen. Daarna gaat zij in op wat er in het Unierecht staat over de aanvang van de beslistermijn. Vervolgens legt zij uit hoe de aanvang van de beslistermijn is geregeld in het nationale recht en dat dit niet in strijd is met het Unierecht. Tot slot legt de Afdeling uit wat de gevolgen hiervan zijn voor betrokkene. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
2.       De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn is aangevangen op de datum van de zogenoemde loopbrief en dat is volgens de rechtbank dan ook het moment waarop de aanvraag is ingediend. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam van 26 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11424.
2.1.    De datum van de loopbrief van betrokkene is 27 november 2023. Dat betekent volgens de rechtbank dat vanaf die datum de beslistermijn van zes maanden is gaan lopen. De rechtbank overweegt dat de beslistermijn dus op 27 mei 2024 is verlopen, dat betrokkene de minister tijdig op 28 mei 2024 in gebreke heeft gesteld en dat de minister na twee weken nog steeds niet had beslist. Daarom heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen zestien weken na de datum van haar uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag.
Wat heeft de minister hiertegen aangevoerd?
3.       De minister voert in haar grieven aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de hiervoor genoemde uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 26 juli 2023 alleen gaat over de vraag of de claimtermijn in Dublinprocedures aanvangt op de dag van afgifte van de loopbrief. Die uitspraak gaat dus niet over de vraag wanneer de beslistermijn aanvangt bij asielaanvragen zoals in het geval van betrokkene. De minister betoogt dat de Procedurerichtlijn in dit geval leidend is. Artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 moet volgens de minister worden uitgelegd in het licht van de Procedurerichtlijn. Die richtlijn maakt een onderscheid tussen het uiten van de asielwens en het formeel indienen van een asielaanvraag. Volgens artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn vangt de beslistermijn van zes maanden aan na de indiening van de aanvraag. Volgens het nationale recht dient een vreemdeling zijn aanvraag in door het formulier model M35-H te ondertekenen. Dit betekent dat de beslistermijn aanvangt wanneer een vreemdeling zijn asielaanvraag heeft ingediend met het formulier model M-35H, aldus de minister.
Hoe is de aanvang van de beslistermijn geregeld in het Unierecht?
3.1.    In de Procedurerichtlijn staan de Unierechtelijke regels over de asielprocedure. De Procedurerichtlijn gebruikt het begrip "verzoek" bedoeld in artikel 2, onder b, van die richtlijn, in plaats van het begrip "aanvraag" bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000. Voor de leesbaarheid gebruikt de Afdeling in deze uitspraak het begrip "aanvraag", ook als het gaat over de Procedurerichtlijn.
3.1.1. Artikel 6 en artikel 31 van die richtlijn gaan over de toegang tot de asielprocedure en de beslistermijnen. Artikel 6 van de Procedurerichtlijn maakt een onderscheid tussen het doen van een aanvraag bedoeld in het eerste lid, en de verplichting om een vreemdeling de mogelijkheid te bieden die aanvraag zo snel als mogelijk in te dienen bedoeld in het tweede lid. De Afdeling heeft eerder overwogen dat al sprake is van het doen van een asielaanvraag in de zin van de Procedurerichtlijn op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. De zogenoemde loopbrief is daar doorgaans een bewijs van. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159, onder 3.2.
3.1.2. De Afdeling leidt uit de Procedurerichtlijn dus af dat er een onderscheid is tussen het doen van een aanvraag en het formeel indienen van een aanvraag. Dit onderscheid blijkt ook uit de bewoordingen van andere taalversies zoals de Engelse (makes en to lodge), de Franse (presenté en l’introduire), en de Duitse versie (stellt en förmlich zu stellen). Over de duur van de beslistermijn bepaalt artikel 31, derde lid en eerste volzin, van de Procedurerichtlijn dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de behandelingsprocedure binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag wordt afgerond. De bepaling haakt daarmee aan bij de formele indiening, en niet bij het moment dat een vreemdeling een aanvraag heeft gedaan door zijn asielwens kenbaar te maken ten overstaan van de autoriteiten. Ook in de andere taalversies van die bepaling wordt aangehaakt bij de formele indiening. Zoals de Engelse (within six months of the lodging of the application), de Franse (à terme dans les six mois à compter de l’introduction de la demande) en de Duitse versie (sechs Monaten nach förmlicher Antragstellung zum Abschluss gebracht wird).
Hoe is de aanvang geregeld in het nationale recht en hoe verhoudt zich dat tot het Unierecht?
3.2.    In artikel 4:13 van de Awb staat onder meer dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn. In dat kader staat in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 dat de minister binnen zes maanden na de ontvangst van een asielaanvraag een besluit moet nemen. De vraag is nu wanneer een asielaanvraag dan is ontvangen.
3.2.1. Zoals hiervoor overwogen, heeft een vreemdeling al een asielaanvraag gedaan in de zin van artikel 6 van de Procedurerichtlijn op het moment dat hij ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 staat dat de beslistermijn aanvangt wanneer de aanvraag is ontvangen. Omdat deze bepaling deel uitmaakt van de implementatie van de Procedurerichtlijn moet het begrip ‘aanvraag’ richtlijnconform worden uitgelegd. Als een vreemdeling zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt ten overstaan van de autoriteiten, is de asielaanvraag daarmee ontvangen.
3.2.2. De beslistermijn van zes maanden vangt dus aan op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Dit betekent nog niet dat de beslistermijn van zes maanden altijd meteen vanaf dat moment doorloopt. Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, wordt de termijn voor het geven van een beschikking namelijk opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Dit kan een bestuursorgaan onder meer doen als een aanvraag niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Dit staat in artikel 4:5, eerste lid en onder a, van de Awb. Als een vreemdeling zijn asielwens heeft geuit, dan voldoet de asielaanvraag nog niet aan alle wettelijke vereisten en is die aanvraag dus nog onvolledig. Om aan die vereisten te voldoen, moet een vreemdeling namelijk het formulier model M35-H ondertekenen op de door de minister aangewezen locatie. Dit volgt uit artikel 4:4, eerste lid, van de Awb en artikel 37 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.108 van het Vb 2000 en paragraaf C1/2.1 van de Vc 2000. Het formulier model M35-H is vastgesteld in de bijlagen van de Vc 2000 (A).
3.2.3. De minister stelt een vreemdeling in de gelegenheid om de aanvraag compleet te maken door hem uit te nodigen het formulier model M35-H te ondertekenen. Dit gebeurt nadat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. De minister heeft in haar schriftelijke inlichtingen aan de Afdeling te kennen gegeven dat het COa een vreemdeling al op de dag van aanmelding in Ter Apel naar een locatie doorgeleidt om het formulier model M35-H te ondertekenen. Als de aanmelding bijvoorbeeld in de nacht plaatsvindt, zal een vreemdeling veelal de volgende dag in de gelegenheid worden gesteld om het formulier model M-35H te ondertekenen. De minister heeft aan de Afdeling te kennen gegeven dat deze periode langer kan duren bij achterstanden in de verwerking van de aanvragen zoals in het geval van betrokkene.
3.2.4. Dit betekent dat de beslistermijn in die situatie wordt opgeschort als aan een vreemdeling na het uiten van de asielwens, bijvoorbeeld bij het uitreiken van de loopbrief, een hersteltermijn of standaard hersteltermijn wordt gegeven om de aanvraag volledig te maken door middel van de invulling en ondertekening van het formulier model M35-H. In de praktijk zal hiermee de beslistermijn in de meeste gevallen weer gaan lopen met de ondertekening van het formulier. De mededeling van deze hersteltermijn kan mondeling of schriftelijk worden gedaan en bijvoorbeeld blijken uit een mededeling op de loopbrief of de afsprakenkaart. Uit de schriftelijke inlichtingen van de minister volgt niet duidelijk hoe dit in de huidige praktijk vorm krijgt en of hier een uniforme werkwijze wordt toegepast.
3.2.5. Voor de behandeling van asielaanvragen geldt dus dat de beslistermijn begint te lopen met de loopbrief, maar de minister kan die termijn opschorten tot de ondertekening van het formulier model M35-H. In de praktijk vinden uitreiking van de loopbrief en ondertekening van het formulier, zoals de minister heeft toegelicht, vaak op dezelfde dag plaats en is van opschorting geen sprake. Daarmee gaat de beslistermijn voor de behandeling van asielaanvragen in de praktijk meestal pas lopen met de ondertekening van het formulier model M35-H. Dit is anders dan in het geval van de claimtermijnen in de context van de Dublinverordening. Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3569. Deze vangen altijd aan met de loopbrief en lopen daarna door. Op het moment dat de loopbrief is afgegeven, staat vast dat sprake is van een asielaanvraag en vangt de termijn aan voor de minister om een claimverzoek in te dienen bij een andere lidstaat als zij vindt dat die lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Dat gaat dus om een andere termijn dan de algemene beslistermijn in asielprocedures in het kader van de Procedurerichtlijn. Het indienen van een aanvraag in de context van de Dublinverordening verschilt in dat kader dan ook van het indienen van een aanvraag in de context van de Procedurerichtlijn. Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 26 juli 2017, Mengesteab, ECLI:EU:C:2017:587, punten 101 en 102.
Conclusie aanvang beslistermijn
3.3.    De Afdeling concludeert dat, anders dan de minister betoogt, de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. De loopbrief is daar een bewijs van. De beslistermijn begint dan te lopen. Dit betekent nog niet dat de beslistermijn van zes maanden altijd meteen vanaf dat moment doorloopt. Over het algemeen geeft de minister de loopbrief op dezelfde dag af als de dag waarop een vreemdeling het formulier model M35-H kan ondertekenen. Er doen zich echter situaties voor waarin dit niet mogelijk is. Bijvoorbeeld bij een achterstand in de verwerking van aanvragen. De minister kan de beslistermijn dan opschorten door op het moment dat een vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt een termijn te stellen waarbinnen een vreemdeling dat formulier kan ondertekenen.
3.3.1. De wijze waarop het nationale recht is ingericht, is in overeenstemming met het Unierecht. De aanvraag is ontvangen als een vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt ten overstaan van de autoriteiten. Dan begint de beslistermijn volgens het nationale recht te lopen. De beslistermijn vangt daarmee in eerste instantie eerder aan dan is voorgeschreven in de Procedurerichtlijn zoals overwogen onder 3.1.2. De Procedurerichtlijn biedt ruimte om de beslistermijn eerder te laten aanvangen, zolang de lidstaten maar binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag de behandelprocedure afronden door een beslissing te nemen.
3.3.2. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat artikel 6, tweede lid, van de Procedurerichtlijn voorschrijft dat de lidstaten verplicht zijn om een vreemdeling zo spoedig mogelijk de aanvraag te laten indienen. Gelet hierop moet de termijn bedoeld onder 3.2.4 zo kort mogelijk zijn. De Afdeling merkt in dit verband ook op dat artikel 28, eerste lid, van Verordening (EU) 2024/1348, ofwel de Procedureverordening, op 12 juni 2026 van toepassing wordt. Daaruit volgt onder meer dat een vreemdeling zijn aanvraag zo spoedig mogelijk, en uiterlijk eenentwintig dagen na de registratie van die aanvraag, indient bij de bevoegde autoriteiten.
Wat betekent dit oordeel voor betrokkene in deze zaak?
3.4.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beslistermijn aanvangt op de dag waarop de loopbrief is afgegeven, omdat dit een bewijs is dat betrokkene zijn asielwens heeft geuit. Daarmee is al sprake van een ontvangen aanvraag zoals eerder overwogen. De minister heeft de loopbrief op 27 november 2023 aan betrokkene afgegeven en op die dag is de beslistermijn dus aangevangen. De rechtbank is daar dan ook terecht van uitgegaan.
3.4.1. De vraag is vervolgens of de minister de beslistermijn heeft opgeschort totdat betrokkene het formulier model M35-H had ondertekend op 14 december 2023. Partijen hebben geen duidelijkheid verschaft over de vraag wanneer en hoe precies de minister betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld om het formulier M35-H te ondertekenen. Het is echter aannemelijk dat dit wel is gebeurd, doordat aan betrokkene mondeling is meegedeeld dat hij wegens drukte pas later in de gelegenheid zou worden gesteld het formulier te ondertekenen. Uit de schriftelijke inlichtingen van de minister volgt namelijk dat het ongewoon druk was in de betreffende periode bij het aanmeldcentrum en dat betrokkene in afwachting van de ondertekening in de noodopvang is geplaatst en verschillende keren is overgeplaatst. Betrokkene heeft dat formulier uiteindelijk zeventien dagen na de asielaanvraag ondertekend in het aanmeldcentrum in Budel. Deze omstandigheden zijn ook niet in geschil. Gelet hierop acht de Afdeling het aannemelijk dat de beslistermijn tussen de afgifte van de loopbrief en het indienen van het formulier model M35-H dus is opgeschort tot 14 december 2023.
3.4.2. De beslistermijn van zes maanden is dus weer gaan lopen vanaf 14 december 2023. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, liep die termijn dus tot en met 14 juni 2024. De minister betoogt daarom terecht dat betrokkene haar op 28 mei 2024 in gebreke heeft gesteld, terwijl de beslistermijn toen nog niet was verlopen. De minister betoogt dan ook terecht dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moest verklaren, omdat betrokkene de minister te vroeg in gebreke heeft gesteld.
3.4.3. De eerste en de tweede grief slagen.
Wat zijn de gevolgen hiervan?
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling verklaart het beroep alsnog niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.25324;
III.      verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025
992
BIJLAGE
Procedurerichtlijn (2013/32/EU)
Artikel 2
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
b) „verzoek om internationale bescherming" of „verzoek": een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere niet onder Richtlijn 2011/95/EU vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht;
[…]
Artikel 6
1. Wanneer een persoon een verzoek om internationale bescherming doet bij een autoriteit die naar nationaal recht bevoegd is voor de registratie van deze verzoeken vindt de registratie plaats binnen drie werkdagen nadat het verzoek is gedaan.
Wanneer het verzoek om internationale bescherming wordt gedaan bij autoriteiten die wellicht dergelijke verzoeken ontvangen maar naar nationaal recht niet voor de registratie bevoegd zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de registratie plaatsvindt binnen zes werkdagen nadat het verzoek is gedaan.
De lidstaten zorgen ervoor dat deze andere autoriteiten die wellicht verzoeken om internationale bescherming ontvangen, zoals politie, grenswachters, immigratiediensten en personeel van accommodaties voor bewaring, beschikken over de toepasselijke informatie en dat hun personeel de voor hun taken en verantwoordelijkheden passende opleiding ontvangen alsook instructies om verzoekers te informeren over waar en hoe een verzoek om internationale bescherming kan worden ingediend.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat een persoon die een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het zo snel mogelijk in te dienen. Wanneer de verzoeker zijn verzoek niet indient, kunnen de lidstaten artikel 28 dienovereenkomstig toepassen.
3. Onverminderd lid 2 kunnen de lidstaten eisen dat verzoeken om internationale bescherming persoonlijk en/of op een aangewezen plaats worden ingediend.
4. Niettegenstaande lid 3 wordt een verzoek om internationale bescherming geacht te zijn ingediend zodra de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door een verzoeker ingediend formulier, of, indien voorgeschreven naar nationaal recht, een officieel rapport, hebben ontvangen.
[…]
Artikel 31
[…]
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure binnen zes maanden na de indiening van het verzoek wordt afgerond.
[…]
Dublinverordening (nr. 604/2013)
Artikel 20
[…]
2. Een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de verzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.
[…]
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:4
1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.
[…]
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a.   de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag […]
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
[…]
Artikel 4:13
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
[…]
Artikel 4:15
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a.   de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te  vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken […]
Artikel 6:12
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a.   het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b.   twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
[…]
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 37
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a.   de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;
[…]
Artikel 42
1. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
[…]
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.108
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder c en d, van de Wet, wordt door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend op een door Onze Minister te bepalen plaats.
[…]
Vreemdelingcirculaire 2000 (C)
Paragraaf C1/2.1. De aanmeldfase
In artikel 3.108d Vb is de aanmeldfase beschreven.
Aanmelding
De vreemdeling geeft in persoon bij de aanmeldunit van de AVIM of bij de KMar tijdens het MTV, het grenstoezicht of andere werkzaamheden te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. De AVIM/KMar registreert dit verzoek binnen het aantal werkdagen zoals bepaald in artikel 3.107b Vb. Als de vreemdeling al is geïdentificeerd door de AVIM of KMar of al eerder een procedure bij de IND heeft doorlopen, kan de registratie ook worden verricht door de IND in het aanmeldcentrum Ter Apel of Budel.
De vreemdeling vult na aanmelding bij de aanmeldunit van de AVIM of bij de KMar een aanmeldformulier in.
Onderzoek tijdens de aanmeldfase
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen (KMar/AVIM) verricht tijdens de aanmeldfase in ieder geval onderzoek naar:
• de identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling;
• de vingerafdrukken van de vreemdeling; en
• documenten, bescheiden en gegevensdragers van de vreemdeling.
Dit onderzoek kan doorlopen in de rust- en voorbereidingstermijn of nog tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden opgestart.
Indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger dient de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in bij de AVIM in het aanmeldcentrum Ter Apel of bij de KMar op de brigade, waar de vreemdeling zich bij KMar heeft gemeld. Als de vreemdeling al is geïdentificeerd door de AVIM of KMar of al eerder een procedure bij de IND heeft doorlopen, kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook bij de IND in het aanmeldcentrum Ter Apel of Budel ondertekend worden.
De IND kan in een individueel geval een van de andere aanmeldcentra of een andere locatie, niet zijnde een aanmeldcentrum, aanwijzen. De vreemdeling dient de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd conform artikel 3.108c Vb zo snel mogelijk in nadat hij op de in artikel 3.108 Vb voorgeschreven wijze kenbaar heeft gemaakt deze aanvraag te willen indienen en de AVIM/KMar de handelingen in het kader van de vaststelling van de identiteit en nationaliteit heeft verricht.
[…]
De IND merkt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die op een ander dan het door de IND aangewezen moment of locatie of op een andere dan de hierboven beschreven wijze wordt ingediend, aan als een onvolledige aanvraag. Een onvolledige aanvraag doet de termijnen van de rust- en voorbereidingstermijn en de algemene asielprocedure niet aanvangen.
[…]
Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
Model M35-H. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd