ECLI:NL:RVS:2025:5543
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Uitleg aanvang beslistermijn verblijfsvergunning asiel bij niet tijdig besluit
Betrokkene stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De kern van het geschil betrof het moment waarop de beslistermijn van zes maanden aanvangt volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Betrokkene stelde dat dit moment samenvalt met zijn eerste persoonlijke melding bij de autoriteiten, bewezen door de datum van de loopbrief. De minister stelde dat de termijn pas begint bij de formele indiening van het formulier model M35-H.
De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn aanving op de datum van de loopbrief, maar de minister ging in hoger beroep. De Raad van State verduidelijkte dat de beslistermijn inderdaad begint bij de eerste uiting van de asielwens tegenover de autoriteiten, meestal de loopbrief, maar dat deze termijn kan worden opgeschort tot het moment van formele indiening met het formulier M35-H. Dit is in lijn met de Procedurerichtlijn en het nationale recht.
De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht de beslistermijn liet aanvangen op de datum van de loopbrief, maar dat de termijn doorloopt vanaf de ondertekening van het formulier M35-H. Omdat betrokkene het formulier pas zeventien dagen later ondertekende, was de termijn op het moment van zijn ingebrekestelling nog niet verstreken. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn nog niet was verstreken op het moment van ingebrekestelling.