ECLI:NL:RVS:2025:5419
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies Nederlanderschap door langdurig verblijf in het buitenland en afwijzing paspoortaanvraag
Appellant, geboren met de Turkse nationaliteit en genaturaliseerd tot Nederlander in 1991, vroeg in 2021 een Nederlands paspoort aan. De minister weigerde dit omdat appellant volgens artikel 15 RWN Pro het Nederlanderschap per 1 april 2013 had verloren door tien jaar onafgebroken hoofdverblijf in Turkije.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant sinds 1998 zijn hoofdverblijf in Turkije had en dat het verlies van het Nederlanderschap niet onevenredig was, ondanks zijn detentieperiodes. Appellant stelde in hoger beroep dat de detentie en het ontbreken van consulaire bijstand niet voldoende waren meegewogen en dat hij na detentie gebruik wilde maken van zijn Unierechten.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank en minister terecht hebben vastgesteld dat appellant geen gebruik maakte van zijn Unierechten en dat het verlies van het Nederlanderschap niet onevenredig was. De detentie vormde geen bijzondere moeilijkheid in de zin van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de paspoortaanvraag wordt bevestigd.