ECLI:NL:RVS:2025:496
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf bij Nederlandse minderjarige dochter
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 december 2021 de aanvraag van een Namibische vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen af. De vreemdeling, moeder van een Nederlandse minderjarige dochter, stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing is op een mvv-aanvraag voor verblijf bij een Nederlandse minderjarige, omdat het hier een zuiver interne situatie betreft. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de richtlijn van toepassing was en dat de vreemdeling gelijkgesteld moest worden met een gezinslid als bedoeld in die richtlijn.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. Tevens werd het besluit van 21 februari 2023, waarin de minister het bezwaar gegrond verklaarde en de aanvraag onder voorbehoud had ingewilligd, vernietigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 21 februari 2023 worden vernietigd, en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.