ECLI:NL:RVS:2025:4320
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijsvermoeden mijnbouwschade betonvloeren pluimveestal niet weerlegd
De zaak betreft een hoger beroep van het Instituut Mijnbouwschade Groningen tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die het bewijsvermoeden van mijnbouwschade aan betonvloeren in stallen van een pluimveebedrijf te Holwierde niet weerlegde. Het Instituut had aanvankelijk geen schadevergoeding toegekend voor verzakkingen en scheurvorming aan de betonvloeren, maar de rechtbank kende een schadevergoeding van €970.029 toe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beoordelingskader voor het bewijsvermoeden verduidelijkt en geoordeeld dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de deskundigenadviezen van het Instituut en de STAB. Uit uitgebreid technisch onderzoek blijkt dat de schade is veroorzaakt door een combinatie van een onvoldoende draagkrachtige slappe klei- en veenondergrond, het ontbreken of ontoereikend zijn van dilataties in de vloeren, en gebruiksbelasting door zwaar materieel.
De Raad van State stelt dat trillingen door aardbevingen niet de oorzaak zijn van de schade, omdat de gemeten en berekende trillingsnelheden ruim onder de veilige grenswaarden liggen. Het bewijsvermoeden is daarmee niet weerlegd. De Afdeling verklaart het hoger beroep van het Instituut gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de wederpartij ongegrond.
Uitkomst: Het bewijsvermoeden van mijnbouwschade aan de betonvloeren is niet weerlegd; het beroep van de wederpartij wordt ongegrond verklaard.