ECLI:NL:RVS:2025:2864
Raad van State
- Hoger beroep
- J.M. Willems
- C.H. Bangma
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van forfaitaire immateriële schadevergoeding in toeslagencompensatie ondanks bezwaar appellant
Deze zaak betreft het hoger beroep van een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel die haar beroep ongegrond verklaarde. De appellant had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de compensatie voor immateriële schade, die forfaitair was vastgesteld op €500 per half jaar volgens de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De Dienst Toeslagen had aanvankelijk een compensatiebedrag toegekend van €61.783,00, dat na bezwaar werd verhoogd naar €88.332,00. De appellant was het oneens met de forfaitaire vaststelling van de immateriële schadevergoeding en stelde dat dit bedrag onvoldoende recht deed aan het door haar geleden leed, mede vanwege institutionele vooringenomenheid, discriminatie en onrechtmatige gegevensverwerking.
De Afdeling overwoog dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro het niet toestaat om de wettelijke bepaling over de forfaitaire vergoeding te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. De wetgever heeft bewust gekozen voor een forfaitair bedrag van €500 per half jaar, gebaseerd op rechtspraak omtrent overschrijding van redelijke termijnen, en heeft een aparte route opengesteld voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade.
Verder oordeelde de Afdeling dat de vernietiging van het beroepsdossier niet leidt tot een recht op aparte compensatie binnen de forfaitaire regeling, maar dat dit via een aanvullende aanvraag voor werkelijke schade kan worden geclaimd. Ook het persoonlijk dossier hoeft niet te worden overgelegd omdat het niet relevant is voor de integrale beoordeling van de compensatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de forfaitaire immateriële schadevergoeding van €500 per half jaar wordt bevestigd.