ECLI:NL:RVS:2025:2708
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens onrechtmatigheid tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Bij besluit van 1 september 2023 bepaalde de staatssecretaris dat het recht op bescherming van betrokkene op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 per 4 september 2023 zou eindigen, met de verplichting om binnen vier weken de EU te verlaten. Dit besluit werd op 5 februari 2024 ingetrokken. Vervolgens stelde de staatssecretaris bij besluit van 7 februari 2024 vast dat betrokkene vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en gaf hij een terugkeeropdracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen dit besluit gegrond en vernietigde het terugkeerbesluit. De minister stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister bevoegd was om de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, maar dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 onrechtmatig was omdat betrokkene op dat moment nog rechtmatig verbleef onder de tijdelijke bescherming. Het terugkeerbesluit kon daarom niet worden genomen.
De Afdeling vernietigde het terugkeerbesluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep en het beroep gegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten van €907,00. De Afdeling sloot zich aan bij eerdere uitspraken van 23 april 2025 over de bevoegdheid van de minister en de toepassing van de algemene beginselen van Unierecht.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat betrokkene toen nog tijdelijke bescherming genoot en rechtmatig verbleef.