ECLI:NL:RVS:2025:241
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf op grond van jongvolwassenenbeleid
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag af voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor twee staatloze vreemdelingen die bij hun meerderjarige kinderen in Nederland willen verblijven. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onduidelijkheid over het peilmoment bij de toepassing van het jongvolwassenenbeleid en een ondeugdelijke belangenafweging.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht het peilmoment van het besluit op bezwaar hanteerde en dat de jongste zoon geen recht heeft op het jongvolwassenenbeleid omdat hij een eigen gezin heeft gevormd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister ondeugdelijk motiveerde en dat de jongste zoon onder het beleid valt.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraken van de rechtbank, maar verklaart het beroep zelf ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling bevestigt dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen de vreemdelingen en hun kinderen die tot een andere uitkomst zouden leiden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.