ECLI:NL:RVS:2025:2337
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslistermijn en fifo-principe bij nareisaanvragen in hoger beroep
Betrokkene stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor haar en haar minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond en stelde een beslistermijn met een dwangsom van €250 per dag vast. De minister ging in hoger beroep en voerde aan dat het fifo-principe, waarbij nareisaanvragen op volgorde van binnenkomst worden behandeld, moet worden betrokken bij de beslistermijn en dat de dwangsom verlaagd moet worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het fifo-principe een goed uitgangspunt is voor de behandeling van nareisaanvragen, maar dat dit niet ten koste mag gaan van de individuele rechtsbescherming. De rechter hoeft geen rekening te houden met het fifo-principe bij het bepalen van de beslistermijn en het vaststellen van de dwangsom. De wettelijke beslistermijnen zijn lang genoeg en de minister moet zorgen dat zij deze naleeft.
De Afdeling benadrukt dat het aan de minister is om binnen de wettelijke kaders haar capaciteit en procedures aan te passen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mag niet worden aangehouden tot de minister volgens het fifo-principe aan de behandeling toekomt, omdat dit de rechtsbescherming zou ondermijnen.
De hoogte van de dwangsom wordt in dit geval gerechtvaardigd geacht vanwege het spoedeisend belang, mede gezien de lopende strafzaak tegen betrokkene in Turkije. De minister moet de proceskosten van het hoger beroep vergoeden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.