ECLI:NL:RBDHA:2025:17341
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit facultatieve tijdelijke bescherming
Verzoeker, met de Indiase nationaliteit, heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen het terugkeerbesluit van 25 juli 2025, waarin hem is opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten en niet meer te mogen werken vanaf 4 september 2025. Het verzoek is verbonden aan een lopend beroep tegen dit besluit.
De voorzieningenrechter overweegt dat sprake is van onverwijlde spoed en dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad hun standpunten naar voren te brengen. Het oordeel is voorlopig en bindt niet in een bodemprocedure. Verzoeker stelt dat het terugkeerbesluit prematuur is omdat hij facultatieve tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voor ontheemden uit Oekraïne, hoewel hij niet de Oekraïense nationaliteit bezit.
De rechter verwijst naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin is geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigde op 4 maart 2024 en dat het terugkeerbesluit niet prematuur is. Verzoeker heeft geen verblijfsrechtelijke procedures die het terugkeerbesluit in de weg staan. Ook het betoog dat het evenredigheidsbeginsel niet is betrokken en dat de hoorplicht is geschonden, wordt verworpen. Verzoeker heeft schriftelijk kunnen reageren op het voornemen tot terugkeerbesluit, wat voldoende is volgens jurisprudentie.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig terugkeerbesluit en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen omdat het besluit niet prematuur is en de hoorplicht is nageleefd.