ECLI:NL:RBDHA:2025:17795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
NL25.42179
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 7 Richtlijn Tijdelijke BeschermingArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelanders

De minister van Asiel en Migratie heeft op 7 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser, een derdelander met tijdelijke bescherming. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde onder meer schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel aan. Ook stelde hij dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat andere lidstaten de bescherming voor de facultatieve groep niet hadden beëindigd.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is vastgesteld dat de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en dat beëindiging daarvan rechtmatig is. De rechtbank oordeelt dat de minister op 7 augustus 2025 bevoegd was het terugkeerbesluit te nemen, ook al was er nog een bevriezingsmaatregel die per 4 september 2025 werd stopgezet.

De rechtbank acht de aangevoerde bezwaren van eiser niet relevant, mede omdat eiser in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen en de minister daarop heeft gereageerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42179

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, minister.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser een verzoek voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank doet uitspraak op het beroep zonder zitting. [1] Op het verzoek voorlopige voorziening zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Overwegingen

1.
Eiser betoogt dat het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in de weg staan aan het beëindigen van het recht op tijdelijke bescherming. Andere lidstaten hebben de bescherming voor de facultatieve groep niet beëindigd. Er is tevens sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot stelt eiser dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.
Beëindiging van de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024
2.
Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
2.1.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de ABRvS bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór
19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt. [2]
2.2.
Bij brief van 7 februari 2024 is eiser bericht dat 4 maart 2024 de laatste dag is waarop hij recht heeft op tijdelijke bescherming en dat dit recht automatisch stopt na
4 maart 2024.
2.3.
Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie -kort samengevat- geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is. [3]
2.4.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de ABRvS bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen. [5]
Stopzetten van bevriezingsmaatregel met ingang van 4 september 2025
3.
Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld. [6] De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. [7] Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet. [8]
Terugkeerbesluit
4.
Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 7 augustus 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
5.
Anders dan eiser ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn en in het arrest van het hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
5.1.
Artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Pro Richtlijn Tijdelijke Bescherming, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
5.2.
Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per
4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 7 augustus 2025 genomen.
5.3.
Op 7 augustus 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 7 augustus 2025 dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen. [9]
6. De in de gronden van beroep betrokken stellingen treffen geen doel. Dat andere lidstaten de bescherming voor de facultatieve groep niet hebben beëindigd is, gelet op het oordeel van het Hof van Justitie en de ABRvS niet relevant. Evenmin is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. In het voornemen heeft de minister ook de inmenging in het privéleven en artikel 8 van Pro het EVRM betrokken. Eiser is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen, waarop door de minister in het bestreden besluit is gereageerd.
7. Het beroep is ongegrond.
8.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.ECLI:EU:C:2024:1038.
5.Zie ook: de uitspraak van deze zittingsplaats van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.
6.ABRvS 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1366.
7.Brief van de minister van 25 april 2024, Kamerstukken II, 36 394, nr. 24.
8.Brief van de minister van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 19 637, nr. 3434.
9.Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),