ECLI:NL:RBDHA:2025:20239

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.9223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EGBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens prematuur opleggen onder Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Eiseres, een Ghanees die tijdelijk verbleef in Oekraïne, kreeg op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd met de verplichting Nederland binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten. Dit besluit volgde op het beëindigen van haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, die facultatief tijdelijke bescherming bood aan derdelanders uit Oekraïne.

Eiseres voerde aan dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming onjuist was gebaseerd op een eerdere uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Inmiddels had die hoogste bestuursrechter in april 2025 geoordeeld dat het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 wel rechtmatig was, conform het arrest Kaduna van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd, omdat de minister vóór 4 maart 2024 geen terugkeerbesluit had mogen opleggen aan vreemdelingen met rechtmatig verblijf op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. Daarom is het beroep kennelijk gegrond en wordt het terugkeerbesluit vernietigd. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd omdat het prematuur is opgelegd vóór het einde van het rechtmatig verblijf op grond van tijdelijke bescherming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9223

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland dient te verlaten.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiseres verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Tot 4 maart 2024 heeft eiseres rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [2]
3. Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert – voor zover van belang – aan dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom de tijdelijke bescherming vanaf 4 maart 2024 eindigt. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiseres namelijk gebaseerd op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 januari 2024, [3] waarin het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie [4] op verkeerde wijze is uitgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De hoogste bestuursrechter heeft – na het instellen van beroep door eiseres – in haar uitspraken van 23 april 2025, [5] inmiddels geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn. De hoogste bestuursrechter is tot deze uitspraken gekomen onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 en naar het arrest Kaduna en Abkez [6] van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.1.
Nu de hoogste bestuursrechter op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming eerder mocht beëindigen dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van dat oordeel.
5.2.
Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter en het arrest Kaduna en Abkez volgt ook dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De hoogste bestuursrechter heeft daarom geoordeeld dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het opleggen van een terugkeerbesluit.
5.3.
In de situatie van eiseres heeft verweerder vóór 4 maart 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Gelet op het oordeel van de Afdeling in de hiervoor aangehaalde uitspraken is het beroep om die reden kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het terugkeerbesluit wordt vernietigd.
6.1.
Verweerder moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907,-. [7]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit van 21 februari 2024;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
4.Van 19 oktober 2023.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
6.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1.