ECLI:NL:RVS:2025:1646

Raad van State

Datum uitspraak
14 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
202403914/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 106 lid 1 Vw 2000Art. 8:54 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over opheffing vrijheidsontnemende maatregel en schadevergoeding in asielprocedure

Betrokkene, een Cubaanse asielzoeker, diende op 12 april 2024 een asielaanvraag in bij de grens op Schiphol. De minister van Justitie en Veiligheid legde haar diezelfde dag een vrijheidsontnemende maatregel op. Bij besluit van 30 april 2024 werd haar asielaanvraag afgewezen. Betrokkene stelde beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het afwijzingsbesluit en beval de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel, tevens kende zij schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door ambtshalve de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel te toetsen, terwijl het beroep uitsluitend tegen het asielbesluit was gericht. De ambtshalve toetsing in bewaringszaken is beperkt tot het besluit waartegen het beroep is ingesteld. Daarom vernietigt de Afdeling het deel van de uitspraak waarin de opheffing van de maatregel en de schadevergoeding zijn bevolen.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 april 2025.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel en schadevergoeding beval.

Uitspraak

202403914/1/V3.
Datum uitspraak: 14 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juni 2024 in zaak nr. NL24.18936 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Cubaanse nationaliteit. Zij heeft op 12 april 2024 aan de grens op Schiphol een asielaanvraag ingediend. Diezelfde dag heeft de minister haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank bij de toetsing van het besluit op de asielaanvraag ook ambtshalve de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel mocht toetsen.
Grieven
2.       De minister klaagt in haar grieven, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door ambtshalve een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel. De ambtshalve toets in bewaringszaken is volgens de minister beperkt tot het beroep tegen de maatregel van bewaring of grensdetentie zelf. In dit geval was bij de rechtbank ten tijde van de uitspraak alleen een beroep tegen het asielbesluit aanhangig en geen beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen en aan betrokkene schadevergoeding toegekend, aldus de minister.
Beoordeling
2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5), mag ambtshalve toetsing in bewaringszaken er niet toe leiden dat de bewaringsrechter treedt in de toetsing van de rechtmatigheid van een ander besluit dan het besluit waartegen beroep is ingesteld. De Afdeling overweegt nu dat dit ook geldt voor de omgekeerde situatie. Het beroep van betrokkene was gericht tegen het besluit van 30 april 2024, over de afwijzing van haar asielaanvraag. Binnen die procedure bestaat geen ruimte voor toetsing van de rechtmatigheid van de grensdetentie (vergelijk de uitspraak van 14 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2675, onder 5.3.1 en 5.3.2). De rechtbank heeft daarom ook ten onrechte met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 schadevergoeding toegekend.
2.2.    De grieven slagen.
Conclusie
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel heeft bevolen en schadevergoeding heeft toegekend. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juni 2024 in zaak nr. NL24.18936, voor zover de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel heeft bevolen en schadevergoeding heeft toegekend.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025
846