AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen afwijzing wrakingsverzoeken Klachtencommissie Ongewenst Gedrag TU Delft ongegrond verklaard
Appellant diende diverse klachten in bij de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag (KOG) van de Technische Universiteit Delft en was ontevreden over de behandeling daarvan. Hij verzocht om wraking van de secretaris en voorzitter van de KOG, maar het college van bestuur wees deze verzoeken op 21 september 2023 af. Vervolgens verklaarde het college het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk.
Appellant stelde dat de afwijzing van de wrakingsverzoeken zijn positie als rechtszoekende direct raakt en dat het ontbreken van een mogelijkheid tot wraking in strijd is met artikel 6 EVRMPro. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de afwijzing van de wrakingsverzoeken een beslissing betreft over de behandeling van klachten zoals bedoeld in artikel 9:3 AwbPro, die expliciet is uitgezonderd van bezwaar en beroep.
De Afdeling stelde vast dat het bericht van het college dat bezwaar en beroep niet mogelijk zijn, slechts informatief van aard is en geen besluit in de zin van artikel 1:3 AwbPro vormt. Het college had het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en het college werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van wrakingsverzoeken is ongegrond verklaard.
Uitspraak
202402624/1/A2.
Datum uitspraak: 22 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: het college),
verweerder.
Procesverloop
Het wrakingsverzoek van de secretaris en de voorzitter van de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag (hierna: de KOG) is door het college bij brief van 21 september 2023 afgewezen.
Bij beslissing van 20 februari 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 november 2024, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door M.P. van Leerdam en N. van Doorn, bijgestaan door mr. I.A. Hoen, advocaat te Leiden, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat [appellant] de leden van de zittingskamer heeft gewraakt. Het verzoek tot wraking is bij uitspraak van de Afdeling van 3 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4956 afgewezen. In de mondelinge uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4947, is een verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer afgewezen.
Bij brief van 3 december 2024 heeft de Afdeling de partijen bericht dat zij voortzetting van de mondelinge behandeling gelet op het verloop van de zitting van 12 november 2024 niet zinvol acht en de nog niet uitgesproken, maar toen wel overgelegde, pleitnota van het college heeft ingenomen als nader stuk. [appellant] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Bij brief van 10 december 2024 heeft [appellant] van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Het college heeft hierop bij brief van 19 december 2024 gereageerd.
De Afdeling heeft op 20 december 2024 het onderzoek gesloten en partijen hierover bij brief van diezelfde datum geïnformeerd.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft diverse klachten ingediend bij de KOG. Hij is ontevreden over de behandeling daarvan en heeft wrakingsverzoeken ingediend tegen de secretaris en de voorzitter van de KOG. Het college heeft deze wrakingsverzoeken op 21 september 2023 afgewezen. Bij e-mail van 26 september 2023 heeft het college [appellant] geïnformeerd dat tegen die beslissing geen bezwaar of beroep open staat.
Beroep
2. [appellant] stelt dat het afwijzen van de wrakingsverzoeken een rechtstreeks gevolg heeft voor zijn positie als rechtszoekende. Daarom moeten deze afwijzingen worden gezien als besluiten in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Als hij geen mogelijkheid heeft om te wraken, zijn de procedures in strijd met artikel 6 vanPro het EVRM.
2.1. De afwijzing van de wrakingsverzoeken van 21 september 2024 is een beslissing over de behandeling van de klachten van [appellant], als bedoeld in artikel 9:3 vanPro de Awb. Dit betekent dat deze beslissing uitdrukkelijk uitgezonderd is van mogelijkheden tot bezwaar, dan wel beroep.
2.2. Het bericht van 26 september 2023 bevat een aanvullende mededeling aan [appellant] dat bezwaar en beroep niet mogelijk is tegen de beslissing van 21 september 2023 en dat als hij het niet eens is met de uitkomst van de klachtenafhandeling, hij zich tot de Nationale Ombudsman kan richten. Dit bericht is van informatieve aard. Het is geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb. Dus ook tegen dit bericht is geen bezwaar of beroep mogelijk.
2.3. Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.