ECLI:NL:RVS:2025:1409
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid grensdetentie vreemdeling wegens onvoldoende motivering minister
De minister van Asiel en Migratie legde op 25 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling bij aankomst op Schiphol. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval de opheffing ervan per 3 januari 2025. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de motivering van de minister waarom niet was volstaan met een lichter middel dan grensdetentie, ondanks dat de echtgenote en minderjarige kinderen van de vreemdeling ook asiel hadden aangevraagd in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met deze relevante individuele omstandigheden en daardoor de belangenafweging niet deugdelijk had gemotiveerd.
De Raad van State bevestigde dit oordeel, overwegende dat het gezinsleven van de vreemdeling met zijn vrouw en kinderen beschermd is onder artikel 8 EVRM Pro en dat de detentie dit gezinsleven belemmert. De minister had dit moeten meewegen in zijn besluitvorming. Ook het argument van de minister dat de vreemdeling zelf geen bezwaar had gemaakt tegen grensdetentie werd verworpen. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de onrechtmatigheid van de grensdetentie en wijst het hoger beroep van de minister af.