ECLI:NL:RVS:2025:1150
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overkomst naar Nederland voor Afghaanse EUPOL-medewerker
Appellanten, bestaande uit een Afghaanse man, zijn echtgenote, drie kinderen en schoondochter, vroegen de minister van Buitenlandse Zaken om hun overkomst naar Nederland te faciliteren vanwege zijn werkzaamheden als timmerman voor de European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL) van 2007 tot 2016.
De minister wees het verzoek af omdat appellant niet viel onder de speciale voorziening die geldt voor medewerkers die structureel substantieel hebben gewerkt voor een Nederlandse functionaris van EUPOL in een voor het publiek zichtbare functie. Appellanten betwistten dit en voerden aan dat appellant voor meerdere Nederlandse functionarissen heeft gewerkt en dat het beleid onredelijk is.
De Raad van State oordeelde dat de minister beleidsvrijheid heeft bij deze buitenwettelijke regeling en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij specifiek voor een Nederlandse functionaris heeft gewerkt. Ook werden de aangevoerde bijzondere omstandigheden niet als voldoende reden gezien om van het beleid af te wijken.
Daarnaast werd geoordeeld dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden omdat de bezwaren geen aanleiding gaven tot een ander besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot overkomst wordt afgewezen.