ECLI:NL:RVS:2024:5354
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering machtiging voorlopig verblijf aan jongvolwassene uit Bangladesh
De vreemdeling, een negentienjarige jongvolwassene uit Bangladesh, diende samen met haar familie een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als gezinslid bij haar vader in Nederland te verblijven. De vader verblijft sinds januari 2021 in Nederland met een verblijfsvergunning. De aanvragen van haar moeder en jongere broertje en zusje werden ingewilligd, maar de aanvraag van de vreemdeling werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond wegens een motiveringsgebrek in het besluit van de staatssecretaris. De staatssecretaris stelde hoger beroep in, maar dit werd ongegrond verklaard omdat het motiveringsgebrek eenvoudig te herstellen was. Bij een nieuw besluit werd het bezwaar van de vreemdeling opnieuw ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
De Afdeling oordeelde dat er geen sprake is van inmenging in het gezinsleven door de Nederlandse Staat, aangezien het gaat om een eerste toelating en de situatie voortkomt uit de keuze van de vader om eerder naar Nederland te komen. De belangenafweging van de minister, waarbij het belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de vreemdeling, is niet onredelijk. De minister heeft het economisch belang en de zelfstandigheid van de vreemdeling in Bangladesh meegewogen. De weigering is niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.