Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2024:3073

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
30 juli 2024
Zaaknummer
202400809/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onterecht niet-ontvankelijk verklaren beroep vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken en geen belang meer zou hebben bij de beoordeling van zijn beroep.

De vreemdeling bleef echter contact houden met zijn gemachtigde, wat volgens de Afdeling bestuursrechtspraak betekent dat hij in beginsel wel belang heeft bij het beroep. De rechtbank had onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de vreemdeling geen prijs meer stelde op bescherming in Nederland.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

202400809/1/V3.
Datum uitspraak: 31 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 januari 2024 in zaak nr. NL23.38352 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 29 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Alkir, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven en de vreemdeling heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De minister heeft de rechtbank bij brief van 22 december 2023 laten weten dat de vreemdeling op 8 november 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling heeft de rechtbank in reactie op die brief laten weten dat hij nog contact heeft met de vreemdeling en dat de vreemdeling hem op 12 december 2023 nog via WhatsApp had gevraagd of hij al iets van de rechtbank had vernomen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat, nu de gemachtigde niet heeft verklaard dat het hem bekend is waar de vreemdeling verblijft, de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
2.       In zijn enige grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank zijn beroep vervolgens ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belang meer zou hebben bij de beoordeling van zijn beroep. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, moet hij namelijk in beginsel geacht worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. De Afdeling wijst in dit kader op haar uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7. Van zulke aanknopingspunten is in dit concrete geval niet gebleken.
De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 januari 2024 in zaak nr. NL23.38352;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024
644